Proefles: Spaans voor beginners

Met deze proefles krijg je een indruk van de taalcursus Spaans voor beginners van het NTI. Je krijgt inzicht in de lesstof. Je kan ook alvast vragen maken en deze zelf controleren. Mocht je vragen hebben, neem dan gerust contact met ons op. Heel veel succes en plezier met de proefles. 

Bekijk de video

Les 7      Spaans voor beginners

Dit is les 7 van de cursus Spaans voor beginners.

NIEUWE UITDRUKKINGEN

We beginnen deze les met enkele uitdrukkingen, die we in het Spaans gebruiken als we over het weer praten. Zegt u ze duidelijk na.

 

 ¿Qué tiempo hace? (ke tjempo aze)

a.....

Wat voor weer is het?

 Hace buen tiempo.(aze bwen tjempo)

....

Het is mooi weer.

 Hace mal tiempo. (aze mal tjempo)

....

Het is slecht weer.

 Hace calor.(aze kalor)

....

Het is warm.

 Hace frío.(aze frio)

....

 Het is koud.

 Hace sol.(aze sol)

....

De zon schijnt.

 Hace viento.(aze bjento)

....

Het waait.

 Llueve.(ljwewe)

....

Het regent.

VANDAAG – HOY
Het Nederlandse woord ‘vandaag’ is in het Spaans hoy (oj). Zegt u het enkele keren na.

•   hoy

....    hoy

....    hoy

(oj)

(oj)

(oj)

Dan nu een oefening. Beantwoord de vragen met behulp van de tekeningen.

Een voorbeeld.
Eerst een vraag: ¿Qué tiempo hace hoy? (ke tjempo aze oj)

Met behulp van de tekening antwoordt u: Hoy hace sol. (oj aze sol)

We beginnen meteen.
•   ¿Qué tiempo hace hoy?
(ke tjempo aze oj)
....
Hoy hace viento
(oj aze bjento)

•   ¿Qué tiempo hace hoy?
(ke tjempo aze oj)
....
Hoy llueve.
(oj ljwewe)

•   ¿Qué tiempo hace hoy?
(ke tjempo aze oj)
....
Hoy hace frío.
(oj aze frio)

•   ¿Qué tiempo hace hoy?
(ke tjempo aze oj)
....
Hoy hace buen tiempo.
(oj aze bwen tjempo)

•   ¿Qué tiempo hace hoy?
(ke tjempo aze oj)
....
Hoy hace calor.
(oj aze kalor)

WERKWOORDEN OP -ER

In de voorafgaande lessen hebben we opgemerkt, dat er in het Spaans drie hoofdgroepen regelmatige werkwoorden zijn. Over sommige persoonsvormen van de eerste groep (werk- woorden op -ar) hebben we al gesproken. We zullen nu enkele persoonsvormen van de tweede groep behandelen. De werkwoorden van deze groep eindigen op -er.
Zeg de volgende werkwoorden eens na.

•   comer
(komer)

....

comer
(komer)

eten

•   beber
(bewer)

....

beber
(bewer)

drinken

•   leer
(leer)

....

leer
(leer)

lezen

•   vender
(bender)

....

vender
(bender)

verkopen

Zeg de volgende werkwoordsvormen na en controleer uw uitspraak.

ik eet

yo como
(jo komo)

ik drink

yo bebo
(jo bewo)

hij eet

él come
(el kome)

zij drinkt

ella bebe
(elja bewe)

wij (m) lezen

nosotros leemos
(nosotros leemos)

wij (v) verkopen

nosotras vendemos
(nosotras bendemos)

u (mv) leest

ustedes leen
(oestedes leen)

u (mv) verkoopt

ustedes venden
(oestedes benden)

Een oefening hierover.
Een voorbeeld.

Er staat een onvolledige zin: Yo como, pero él no ... (jo komo pero el no)
U maakt de zin compleet door de juiste werkwoordsvorm in te vullen:
Yo como, pero él no come.... (jo komo pero el no kome)
Doet u het nu zelf.

•   Yo bebo, pero ella no ...                         ....    Yo bebo, pero ella no bebe.
(jo bewo pero elja no)                                    (jo bewo pero elja no bewe)

•   Nosotros vendemos, pero ellos no ...     ....    Nosotros vendemos, pero ellos no venden.
(nosotros bendemos pero eljos no)                (nosotros bendemos pero eljos no benden)

•   Yo leo, pero ustedes no ...                      ....    Yo leo, pero ustedes no leen.
(jo leo pero oestedes no)                                (jo leo pero oestedes no leen)

•   Nosotros bebemos, pero los camareros no ... ....    Nosotros bebemos, pero los camareros no beben.
(nosotros bewemos pero los kamareros no)         (nosotros bewemos pero los kamareros no bewen)

•   Pedro lee, pero nosotros no ...                ....    Pedro lee, pero nosotros no leemos.
(pedro lee pero nosotros no)                          (pedro lee pero nosotros no leemos)

•   Carlos come, pero María no ...               ....    Carlos come, pero María no come.
(karlos kome pero maria no)                          (karlos kome pero maria no kome)

KLOKKIJKEN
We gaan nu leren hoe we de tijd in het Spaans kunnen weergeven.
Het Nederlandse ‘hoe laat is het?’ is in het Spaans ¿qué hora es? (ke ora es).
Zegt u het eens na.

•   ¿qué hora es?

....    ¿qué hora es?

(ke ora es)

(ke ora es)

Op deze vraag kunnen we antwoorden:

•   Het is 1 uur. Es la una. (es la oena) ... Es la una. (es la oena)
•   Het is 4 uur. Son las cuatro. (son las kwatro) ... Son las cuatro. (son las kwatro)
•   Het is 5 uur. Son las cinco. (son las zinko) ... Son las cinco. (son las zinko)
•   Het is 8 uur. Son las ocho.(son las otsjo) ... Son las ocho. (son las otsjo)
•   Het is 9 uur. Son las nueve. (son las nwewe) ... Son las nueve. (son las nwewe)
•   Het is 12 uur. Son las doce. (son las doze) ... Son las doce. (son las doze)

Zegt u ook de volgende tijdsaanduidingen na.

•   Het is vijf over twee.  Son las dos y cinco (son las dos i zinko)
•   Het is tien voor half drie. Son las dos y veinte. (son las dos i bejnte)
•   Het is half drie. Son las dos y media. (son las dos i medja)
•   Het is vijf over half drie. Son las tres menos veinticinco. (son las tres menos bejntizinko)
•   Het is kwart voor drie. Son las tres menos cuarto. (son las tres menos kwarto)
•   Het is vijf voor drie. Son las tres menos cinco. (son las tres menos zinko)

In de oefening zegt u in het Spaans hoe laat het is. Een voorbeeld vooraf: Op de klok is het half vijf.
U zegt dan: Son las cuatro y media. (son las kwatro i medja)

Daar gaan we.

•   ....
Son las cuatro menos veinte.
(son las kwatro menos bejnte)

•   ....
Es la una y media.
(es la oena i medja)

•   ....
Son las nueve y diez.
(son las nwewe i djez)

•   ....
Son las dos menos veinte.
(son las dos menos bejnte)

•   ....
Son las siete menos cuarto.
(son las sjete menos kwarto)

Deze uitdrukkingen (met het werkwoord tener) gaan we oefenen. Zegt u ze in het Spaans.

•   het koud hebben ... tener frío (tener frio)
•   dorst hebben ... tener sed (tener sed)
•   gelijk hebben ... tener razón (tener razon)
•   zin hebben om ... tener ganas de (tener ganas de)
•   het warm hebben ... tener calor (tener kalor)
•   honger hebben ... tener hambre (tener hambre)

We gaan deze uitdrukkingen nu toepassen in een oefening. De Nederlandse zinnen in het Spaans.

•   Wij (m) hebben honger en zij (m) hebben dorst.
....
Nosotros tenemos hambre y ellos tienen sed. (nosotros tenemos ambre i eljos tjenen sed)

•   Nee, Pedro heeft geen gelijk, het is niet koud.
....
No. Pedro no tiene razón, no hace frío. (no pedro no tjene razon no aze frio)

•   Het regent, ik heb het koud.
....
Llueve, tengo frío. (ljwewe tengo frio)

Hier volgen een paar nieuwe woorden. Zegt u ze na.

•   de krant

el periódico (el perjodiko)

....

el periódico
(el perjodiko)

•   de bar, het café

el bar (el bar)

....

el bar (el bar)

•   het terras

la terraza (la terraza)

....

la terraza (la terraza)

•   het gebouw

el edificio (el edifizjo)

....

el edificio (el edifizjo)

•   de gids (handleiding)

la guía (la gija)

....

la guía (la gija)

•   het museum

el museo (el moeseo)

....

el museo (el moeseo)

•   de kathedraal

la catedral (la katedral)

....

la catedral
(la katedral)

Nu doen we het zelf. Zeg de Nederlandse woorden direct in het Spaans en controleer steeds uw antwoord en uw uitspraak.

Voor we deze nieuwe woorden gaan toepassen, leren we eerst nog enkele vormen van het onregelmatige werkwoord poder (poder), ‘kunnen’. Zegt u het eens na.
• poder       .... poder         .... poder
(poder)      (poder)            (poder)

Bestudeer eerst het schema in het overzicht. Zegt u de volgende voorbeeldzinnen eens na en let u vooral op de volgorde van de woorden in de Spaanse zin.

•   No puedo leer este periódico. (no pwedo leer este perjodiko)
....
Ik kan deze krant niet lezen.

•   Pedro puede ir al museo. (pedro pwede ir al moeseo)
....
Pedro kan naar het museum gaan.

•   ¿Podemos comprar la guía de la ciudad en el estanco? (podemos komprar la gija de la zjoedad en el estanko)
....
Kunnen wij de gids van de stad in de tabakswinkel kopen?

•   Pedro y Elena pueden comer a las seis. (pedro i elena pweden komer a las sejs)
....
Pedro en Elena kunnen om 6 uur eten.

•   Ustedes pueden tener razón. (oestedes pweden tener razon)
....
U kunt gelijk hebben.

ZEGGEN – DECIR
We leren nog een onregelmatig werkwoord. Het Nederlandse werkwoord ‘zeggen’ is in het Spaans decir (dezir). Zegt u het enkele malen na.
•   decir         ....   decir          ....   decir 
(dezir)            (dezir)              (dezir)     

Bestudeer nu het schema in het overzicht van deze les. Zegt u de voorbeeldzinnen weer na.

•   Yo digo: Hace calor.                               ....    Ik zeg: Het is warm. (jo digo aze kalor)

•   Él dice: Hace frío.                                  ....    Hij zegt: Het is koud. (el dize aze frío)

NIEUWE WOORDEN

•   het bier                                               ....   la cerveza (la zwerza)
•   een glas bier                                         ....   un vaso de cerveza (oen baso de zerweza)
•   de sherry                                             ....   el jerez (el cherez)
•   en glaasje sherry                                   ....   una copita de jerez (oena kopita de cherez) 
•   kleine porties vis of vlees                        ....   las tapas (las tapas)
•   de inktvis                                             ....   los calamares (los kalamares)


Dan nu de laatste oefening van deze les. Zeg de Nederlandse zinnen in het Spaans
•   Pedro is met vakantie in Spanje.
....
Pedro está de vacaciones en España. (pedro esta de bakazjones en espanja)

•   Vandaag is het geen mooi weer, het waait en het is koud.
....
Hoy no hace buen tiempo, hace viento y hace frío. (oj no aze bwen tjempo aze bjento i aze frio)

•   Het is kwart vóór tien ’s ochtends en Pedro heeft zin om naar het museum te gaan.
....
Son las diez menos cuarto de la mañana y Pedro tiene ganas de ir al museo. (son las djez menos kwarto de la manjana i pedro tjene ganas de ir al moeseo)

•   Daarna gaat hij naar een bar.
....
Después va a un bar. (despwes ba a oen bar)
•   Hij heeft honger en dorst en wil iets eten en drinken.
....
Tiene hambre y sed y quiere comer y beber algo. (tjene ambre i sed i kjere komer i bewer algo)

•   Hij neemt een glas bier en inktvis.
....
Toma un vaso de cerveza y calamares. (toma oen baso de zerweza i kalamares)

•   Wij (Carlos en ik) hebben het warm.
....
Nosotros (Carlos y yo) tenemos calor. (nosotros karlos i jo tenemos kalor)

•   Ik zeg: We kunnen naar deze bar gaan.
....
Yo digo: Podemos ir a este bar. (jo digo podemos ir a este bar)

•   Wij kunnen enkele glaasjes sherry nemen en de kranten lezen.
....
Podemos tomar unas copitas de jerez y leer los periódicos. (podemos tomar oenas kopitas de cherez i leer los perjodikos)

•   Maar Carlos zegt: Ik heb (er) geen zin (in).
....
Pero Carlos dice: No tengo ganas. (pero karlos dize no tengo ganas)

•   Ik wil een gids van de stad gaan kopen.
....
Quiero ir a comprar una guía de la ciudad. (kjero ir a komprar oena gija de la zjoedad)

•   En daarna ga ik een taxi nemen om naar de kathedraal te gaan.
....
Y después voy a tomar un taxi para ir a la catedral. (i despwes boj a tomar oen taksi para ir a la katedral)

In de leesoefening die volgt, komen enkele woorden voor die we nog niet hebben geleerd. Zegt u ze na, dan komen ze u straks niet onbekend voor.

•   hacer (azer)

....

hacer (azer)

doen

•   dar un paseo (dar oen paseo)

....

dar un paseo (dar oen paseo)

een wandeling maken

•   por (por)

....

por (por)

door

•   ver (ber)

....

ver (ber)

zien

•   la playa (la plaja)

....

la playa (la plaja)

het strand

•   papá (papa)

....

papá (papa)

papa

•   es mejor (es mechor)

....

es mejor (es mechor)

het is beter

Dit is het einde van les 7. U kunt nu de leesoefening en het huiswerk maken.

Leesoefening
Leest u de volgende oefening enkele malen hardop voor uzelf (niet inzenden). Probeer te begrijpen wat u leest!

‘¿Qué vamos a hacer hoy?’ pregunta la señora de Bosman.
‘Hace buen tiempo, hace sol y hace calor, podemos dar un paseo por la ciudad.’ La sefora quiere ver los edificios y quiere ir al museo.
Lee la guía y dice: ‘También tenemos que ir a ver la catedral.’ El señor Bosman: ‘Pero está lejos. Y yo tengo calor.’
La señora de Bosman: ‘Podemos ir en taxi.’ El señor Bosman no tiene ganas de ir.
La mujer y la hija del señor Bosman van al centro de la ciudad y él está en el hotel. Lee un periódico y después va a la playa.
Son las cinco de la tarde.
Las mujeres tienen hambre y también tienen sed. Van a una terraza de un bar.

En la terraza
La señorita Bosman: ‘Camarero, un vaso de cerveza y una copita de jerez. Y algo para comer.’ El camarero pregunta: ‘¿Quieren ustedes unas tapas?’
La señorita Bosman contesta: ‘Sí, calamares.’
‘¡Qué calor tengo!’ dice la hija.
‘Papá tiene razón.
Es mejor ir a la playa.

Gesproken  huiswerk
De nu volgende tekst kunt u inspreken. Tegelijk met het gesproken huiswerk uit de lessen 5 en 6 kunt u het insturen.
‘¿Qué vamos a hacer hoy?’ pregunta la señora de Bosman.
‘Hace buen tiempo, hace sol y hace calor, podemos dar un paseo por la ciudad.’ La sefora quiere ver los edificios y quiere ir al museo.
Lee la guía y dice: ‘También tenemos que ir a ver la catedral.’ El señor Bosman no tiene ganas de ir.
Está en el hotel, lee un periódico y después va a la playa.

Opgave 7.1 Vertaal in het Spaans.
Maak de volgende opgaven en stuur uw uitwerkingen ter correctie in. Vertaal in het Spaans.
1.    Het is één uur.
2.    Het is kwart over zes.
3.    Het is tien vóór half tien.
4.    Het is vier minuten over drie.
5.    Het is tien vóór vijf.
6.    Het is twaalf minuten vóór twee.
7.    Het is kwart vóór één.
8.    Het is kwart vóór negen. Vertaal in het Spaans. 

 

Opgave 7.2 Vertaal in het Spaans.
1.    Ik heb honger. Ik wil eten. Ik heb zin om te eten.
2.    Vandaag is het slecht weer. Het regent, het waait en het is koud.
3.    Hebt u (ev) dorst? Wilt u (ev) een glas bier?
4.    Ik wil naar het hotel gaan en ik ga de krant lezen.
5.    U (ev) hebt gelijk. Het is beter een gids van de stad (te) kopen.
6.    Wij nemen (de) bus nummer achttien om naar het museum te gaan.
7.    Ik kan niet om zeven uur ’s ochtends aankomen.
8.    Wat zeggen zij (m)? Wat zegt u (mv)?
9.    Meneer Bosman is met vakantie in Spanje.
10.  We hebben het koud. Wij gaan naar een bar en we gaan een paar glaasjes sherry nemen.

ESTAR
NIEUWE WOORDEN
In voorgaande lessen hebben we al kennisgemaakt met het onregelmatige werkwoord estar. Bestudeer eerst het schema in het overzicht.

Nu een uitdrukking met dit werkwoord. Zegt u eens na.
•   estar de vacaciones (estar de bakazjones) --- met vakantie zijn

We gaan deze uitdrukking gebruiken in zinnetjes. Zegt u ze na.

•   Estoy de vacanciones en España : Ik ben met vakantie in Spanje.
(estoy de bakazjones en espanja

• Estamos de vacaciones en Chile. (estamos de bakazjones en tsjile) : Wij zijn met vakantie in Chili.

Een oefening hierover. Zegt u de Nederlandse zinnen in het Spaans.
• De heer en mevrouw Bosman zijn met vakantie, maar wij (m) zijn niet met vakantie.
Los señores de Bosman están de vacaciones, pero nosotros no estamos de vacaciones.
(los senjores de bosman estan de bakazjones pero nosotros no estamos de bakazjones)

• U (ev) bent met vakantie.
Usted está de vacaciones.
(oested esta de bakazjones)

Ben je na het volgen van de proefles enthousiast geworden?

Je kunt elke dag starten met de taalcursus Spaans voor beginners, dus zet vandaag nog de eerste stap!

8 redenen om bij het NTI te studeren

  1. Erkende opleidingen, gewaardeerd in het bedrijfsleven
  2. Prettige en deskundige begeleiding door ervaren docenten
  3. Voordelig lesgeld
  4. Flexibel studeren
  5. Studeren met veel persoonlijk contact
  6. Modern studeren via onze online leeromgeving
  7. Persoonlijke studiebegeleiding van een mentor
  8. Studeren op kosten van de werkgever en/of de fiscus
1 / 22