Zweeds voor beginners

Proefles: cursus Zweeds voor beginners

Leuk dat je een proefles hebt aangevraagd! Met deze proefles krijg je een indruk van de cursus Zweeds voor beginners. Je krijgt inzicht in de lesstof. Mocht je vragen hebben, neem dan gerust contact met ons op. Succes en veel plezier met de proefles.


Dit is les 1 van de cursus Zweeds
De eerste Zweedse woorden die je leert, zijn de benamingen van mensen en van enkele voorwerpen. Bij de woorden leren we er meteen het juiste onbepaald lidwoord, en of ett (een), bij (zie overzicht 1A).

  • En is het mannelijk/vrouwelijk onbepaald lidwoord.
  • Ett is het onzijdig onbepaald lidwoord.

De eerste woorden
Onderstaand leer je de eerste Zweedse woorden. Bekijk de woorden en probeer de woorden na te zeggen.



De benamingen van talen worden in het Zweeds met een kleine letter geschreven.

Let op: In Zweden wordt bijna altijd Holland en holländska gezegd voor ‘Nederland’ en ‘Nederlands’. Daarom zullen we dat in deze cursus ook steeds gebruiken. De officiële benaming voor Nederland in het Zweeds is Nederländerna (nee:derlenderna).

Persoonlijke naamwoorden
In het Nederlands kennen we de volgende persoonlijke voornaamwoorden: ik, jij/je/u, hij/zij/het, wij, jullie/u, zij. Het Zweeds kent soortgelijke benamingen. Deze vind je hieronder.

Meervoud
Deze uitspraak wijkt af van wat men zou verwachten.

Opmerking
Ni
betekent eigenlijk behalve ‘jullie’ ook ‘u’. In Zweden is het echter heel gewoon en beleefd om iemand met u aan te spreken.

Werkwoorden
Een werkwoord kan verschillende dingen uitdrukken, bijvoorbeeld een handeling, een bezigheid, een omstandigheid, een gebeurtenis of een toestand.

  • Moeder schilt de aardappelen.
  • De rozen bloeien.

Om straks de eerste Zweedse zinnen te kunnen maken, moeten we eerst iets over de Zweedse werkwoorden leren. We beginnen met een paar werkwoorden die veel voorkomen. Eerst leren we het ‘hele werkwoord’. Het hele werkwoord wordt ook wel de ‘infinitief’ genoemd. Hieronder vind je een aantal werkwoorden.

Voor het Zweedse hele werkwoord komt att te staan. Dit woord is te vergelijken met het Nederlandse ‘te’.

De Zweedse werkwoorden zijn ingedeeld in vijf groepen. Binnen één groep wordt op dezelfde manier de tegenwoordige tijd, de verleden tijd, de gebiedende wijs enzovoorts, gevormd.
Daarbij wordt uitgegaan van de stam van het werkwoord; de basis die wordt gebruikt om die tegenwoordige tijd, verleden tijd enzovoorts te maken.

Bij twee groepen (groep 1 en groep 3: zie onderstaande overzicht) is de stam van het werkwoord gelijk aan het ‘hele’ werkwoord. Je hebt zojuist enkele ‘hele’ werkwoorden geleerd. Hier krijg je twee voorbeelden; achter het hele werkwoord vind je de stam, die je kunt nazeggen.

Groep 1


Groep 3


Groep 2



Groep 4


Groep 5 
Groep 5 is de groep van de onregelmatige werkwoorden. De naam zegt het al, in deze groep horen de werkwoorden thuis die allemaal op een verschillende, onregelmatige manier worden vervoegd en die niet in de andere vier groepen passen. Deze werkwoorden hebben wel een stam, maar die lijkt soms niet op het hele werkwoord.

De werkwoorden in groep 2 kunnen nog weer in twee subgroepen verdeeld worden. In latere lessen zullen we op deze indeling van de werkwoorden nog uitgebreid terugkomen.

De tegenwoordige tijd
Als we willen uitdrukken dat een handeling nu gebeurt, een toestand nu bestaat, zetten we het werkwoord in de tegenwoordige tijd. Om in het Zweeds een werkwoord in de tegenwoordige tijd te zetten, moeten we uitgaan van de stam van het werkwoord. Achter de stam van het werkwoord wordt een r of er geplaatst. Bij de werkwoorden van groep 5 is deze vorm ook onregelmatig. Neem je de volgende uitleg en voorbeelden maar eens door.

Groep 1 en groep 3
Om de werkwoorden van groep 1 en groep 3 in de tegenwoordige tijd te zetten, moet achter de stam een r worden geplaatst. Bijvoorbeeld:


Groep 2 en 4
Om de werkwoorden van groep 2 en 4 in de tegenwoordige tijd te zetten, komt er als uitgang na de stam er achter. Bijvoorbeeld:


Groep 5
Bij de werkwoorden van groep 5 (de onregelmatige werkwoorden) wordt de tegenwoordige tijd op verschillende manieren gevormd.

In het Nederlands verandert het werkwoord in de tegenwoordige tijd mee met het onderwerp: ‘ik loop’, ‘jij loopt’ en ‘jullie lopen’. In het Zweeds is dat niet zo. Ken je eenmaal de juiste vorm van het werkwoord in de tegenwoordige tijd, dan weet je dat die vorm bij elk onderwerp hetzelfde blijft, of dat nu in het enkelvoud of in het meervoud staat. Neem het volgende voorbeeld van het werkwoord att tala (spreken) maar eens door.

De eerste zinnen
Zeg nu de volgende zinnen na en neem hun vertaling door. Let vooral op de verbuiging van het werkwoord, die wel in het Nederlands plaatsvindt, maar niet in het Zweeds.

Let op: In het uitspraakboekje heb je kunnen lezen dat niet alle woorden in een zin evenveel nadruk krijgen (accent). Nu je de eerste zinnetjes leert, zul je zien dat de accenten van sommige woorden verdwijnen, en dat de uitspraak iets korter wordt dan je bij de losse woorden hebt geleerd. De vetgedrukte letters en de dubbele punt (:) in de uitspraakaanduiding helpen je bij het leggen van de juiste klemtonen en het bepalen van de juiste lengte van de klinkers.

Het Zweedse werkwoord verandert dus niet met het onderwerp mee, maar houdt altijd dezelfde vorm. Als je een nieuw werkwoord in de les leert, krijg je daarbij steeds meteen de juiste vorm in de tegenwoordige tijd.

In het overzicht achter in het lesboek waarnaar steeds verwezen wordt, kun je zien tot welke groep de werkwoorden precies behoren en hoe de stam wordt gevormd.

Nu volgt het rijtje werkwoorden dat je al eerder hebt geleerd, met daarbij de vorm van de tegenwoordige tijd. Je kunt de verbuiging nazeggen.

Uitzondering
De tegenwoordige tijd van att vara wijkt af van de andere vormen. Är wordt echter zó vaak gebruikt, dat je zult merken, dat het weinig moeite kost om het te onthouden.

ZICH VOORSTELLEN
Het werkwoord att heta (heten) gebruikt men ook om zich voor te stellen. In het Nederlands zegt men bijvoorbeeld: ‘ik ben Lena’. Een Zweed zegt bij het voorstellen:

Dat is letterlijk vertaald: ‘ik heet Lena’.

Je kunt nu ook jezelf verstellen in het Zweeds. Zeg een paar keer:


Op de puntjes vul je je eigen naam in. Jouw naam krijgt in deze zin de meeste nadruk.

We kunnen nu de eerste zinnen gaan maken. Zeg de zinnen na en neem de vertaling ervan goed door. Let vooral op de verbuiging van het werkwoord.

En kopp kaffe kostar en krona,
(en khopp khaffe khostar en khroe:na)
Een kopje koffie kost een kroon

Du studerar svenska,
(duu stuudee:rar swenska)
Jij studeert Zweeds.

Han har en dotter och en son.
(han haar en dotter o en soo:n)
Hij heeft een dochter en een zoon.

Hon heter Lena.
(hoen heeter lee:na)
Zij heet Lena.

Han är en pojke,
(han ee en phojke)
Hij is een jongen.

Oefening
Vul op papier de juiste verbuiging van het werkwoord in en probeer de vertaling te geven.
Beluister vervolgens de zinnen en zeg ze na.

(att äta)
En kvinna äter ett äpple.
(en khwienna èèter ett epple)
Een vrouw eet een appel.

(att läsa)
De läser en bok.
(dom lèèser en boe:k)
Zij lezen een boek.

(att vara)
Han är en pojke.
(han ee en phojke)
Hij is een jongen.

(att dricka)
Jag dricker ett glas mjölk.
(jaa driekker ett klaas mjùlk)
Ik drink een glas melk.

(att bo)
De bor i ett hus.
(dom boe:r ie ett huu:s)
Zij wonen in een huis.

(att tala)
Ni talar holländska.
(nie thaa:lar hollendska)
Jullie spreken Nederlands.


Hoe studeer je bij het NTI?

Dankzij het nieuwe studeren bepaal je zelf waar en wanneer je studeert. Het nieuwe studeren is de ideale combinatie tussen online en klassikaal onderwijs. De onderstaande video laat je het nieuwe studeren zien.


Ben je na het volgen van de proefles enthousiast geworden?

Je kunt elke dag starten met de cursus Zweeds voor beginners dus zet vandaag nog de eerste stap!

8 redenen om bij het NTI te studeren

  1. Erkende opleidingen, gewaardeerd in het bedrijfsleven
  2. Prettige en deskundige begeleiding door ervaren docenten
  3. Voordelig lesgeld
  4. Flexibel studeren
  5. Studeren met veel persoonlijk contact
  6. Modern studeren via onze digitale leeromgeving
  7. Persoonlijke studiebegeleiding van een mentor
  8. Studeren op kosten van de werkgever en/of de fiscus

Neem gerust contact met ons op, als je nog vragen hebt. Succes met het kiezen van je cursus of opleiding!

1 / 1