Proefles: Duits voor beginners

Leer je eerste woorden Duits spreken en lezen!

Met deze proefles krijg je een indruk van de taalcursus Duits voor beginners van het NTI. Je krijgt inzicht in de lesstof. Je kan ook alvast vragen maken en deze zelf controleren. Mocht je vragen hebben, neem dan gerust contact met ons op. Heel veel succes en plezier met de proefles.

Dit is les 1 van de taalcursus Duits voor beginners.

We beginnen met enkele Nederlandse woorden.

vader

hond

kamer

slaap

moeder

paard

bed

zorg

dochter

vogel

raam

angst

bakker

haring

lamp

vermoeden

Deze woorden geven een zelfstandigheid aan, omdat ze een zelfstandige betekenis hebben. Het zijn woorden die de naam aanduiden van iets wat een zelfstandige betekenis heeft, dus de namen van mensen, dieren, dingen of toestanden. Dergelijke woorden noemen we daarom zelfstandige naamwoorden.
Dan nu een paar Duitse woorden

Tisch
(tiesj)

Lampe
(lampe)

Schlafzimmer
(sjlaaftsiemer)

Wecker
(wekker)

Mutter
(moeter)

Zimmer
(tsiemer)

Vater
(faater)

Tochter
(thochter)

Bett
(bet)

Garten
(karten)

Gardine
(kardie:ne)

Fenster
(fenster)

Deze woorden zijn zelfstandige naamwoorden. In het Duits schrijven we zelfstandige naamwoorden altijd met een hoofdletter.
Van verschillende woorden zult u de betekenis wel begrepen hebben. Deze woorden komen nu nog eens, maar deze keer met de Nederlandse betekenis erbij.

Zegt u de Duitse woorden na.

Tisch
(tiesj)

tafel

Tochter
(thochter)

dochter

Wecker
(wekker)

wekker

Gardine
(kardie:ne)

gordijn

Vater
(faater)

vader

Schlafzimmer
(sjlaaftsiemer)

slaapkamer

Garten
(karten)

tuin

Zimmer
(tsiemer)

kamer

Lampe
(lampe)

lamp

Bett
(bet)

bed

Mutter
(moeter)

moeder

Fenster
(fenster)

raam

In het Nederlands kennen we alleen zelfstandige naamwoorden zonder meer. In het Duits worden de zelfstandige naamwoorden onderscheiden in
Mannelijke zelfstandige naamwoorden,
Vrouwelijke zelfstandige naamwoorden en
Onzijdige zelfstandige naamwoorden.

Een zelfstandig naamwoord is altijd te herkennen omdat we er ‘de’ of ‘het’ of ‘een’ vóór kunnen zetten:
Ik zie de bakker.
Daar loopt een paard.
Ik leg een deken op het bed
Wat een angst heb ik gehad.

De woorden ‘de’, ‘het’ en ‘een’ noemen we lidwoorden: dit zijn tevens de enige lidwoorden die we in het Nederlands kennen.

Als we zeggen: Daar staat de stoel.
                    Ik zie het paard.

Dan geven we de woorden ‘de’ en ‘het’ aan, dat we een bepaalde stoel en een bepaald paard bedoelen.

Daarom zeggen we:
DE en HET zijn bepaalde lidwoorden.
EEN is een onbepaald lidwoord.

In het Duits zijn de bepaalde lidwoorden verschillend voor de mannelijke, vrouwelijke en onzijdige zelfstandige naamwoorden.

Voor mannelijke zelfstandige naamwoorden gebruiken we: der (deer).
Zegt u het eens na:

der
(deer)

der
(deer)

der Vater
(deer faater)

Voor vrouwelijke zelfstandige naamwoorden gebruiken we: die (die:).

Zegt u het eens na:

die
(die:)

die
(die:)

die Mutter
(die: moeter) 

Voor onzijdige zelfstandige naamwoorden gebruiken we: das (das).
Zegt u het eens na:

das
(das)

das
(das)

das Fenster
(das fenster)

Om het u gemakkelijk te maken, zullen we in het vervolg bij alle nieuwe woorden steeds direct het goede lidwoord, dus der of die of das, erbij leren.

Zegt u de volgende mannelijke zelfstandige naamwoorden en het lidwoord dat erbij hoort, in het Duits na.

de tafel

der Tisch
(deer tiesj)

der Tisch
(deer tiesj)

de wekker

der Wecker
(deer wekker)

der Wecker
(deer wekker

de vader

der Vater
(deer faater)

der Vater
(deer faater)

de tuin

der Garten
(deer karten)

der Garten
(deer karten)

Nu komen enkele vrouwelijke zelfstandige naamwoorden met hun lidwoord. Zegt u die ook eens na. 

de lamp

die Lampe
(die lampe)

die Lampe
(die lampe)

de moeder

die Mutter
(die: moeter)

die Mutter
(die: moeter)

de dochter

die Tochter
(die: thochter)

die Tochter
(die: thochter)

het gordijn

die Gardine
(die: kardie:ne)

die Gardine
(die: kardie:ne)

Ten slotte enkele onzijdige zelfstandige naamwoorden met hun lidwoord. Zegt u de Duitse woorden weer na. 

de slaapkamer

das Schlafzimmer
(das sjlaaftsiemer)

das Schlafzimmer
(das sjlaaftsiemer)

de kamer

das Zimmer
(das tsiemer)

das Zimmer
(das tsiemer)

We gaan nu de mannelijke zelfstandige naamwoorden zelf oefenen. Even een voorbeeld:
Eerst komt:    de tafel
Dan zegt u:    der Tisch
                   (deer tiesj)

Daarna volgt ter controle:   der Tisch
                                    (deer tiesj)

Nu de proef op de som:

de tuin

der Garten
(deer karten)

de vader

der Vater
(deer faater)

Nu gaan we deze mannelijke, vrouwelijke en onzijdige zelfstandige naamwoorden door elkaar oefenen op dezelfde manier. Daar gaan we: 

de tafel

der Tisch
(deer tiesj)

de lamp

die Lampe
(die lampe)

de kamer

das Zimmer
(das tsiemer)

de moeder

die Mutter
(die: moeter)

de vader

der Vater
(deer faater)

het raam

das Fenster
(das fenster)

de tuin

der Garten
(deer karten)

de dochter

die Tochter
(die: thochter)

de slaapkamer

das Schlafzimmer
(das sjlaaftsiemer)

de wekker

der Wecker
(deer wekker)

het bed

das Bett
(das bet)

Het Nederlandse woord ‘een’, zoals bijvoorbeeld in ‘een tafel’, is het in het Duits bij mannelijke zelfstandige naamwoorden: ein (ain). Zegt u het eens na.

ein
(ain)

ein
(ain)

ein Garten
(ain karten)

ein Garten
(ain karten)

Bij vrouwelijke zelfstandige naamwoorden: eine (aine). Zegt u dit ook eens na. 

eine
(aine)

eine
(aine)

eine Lampe
(aine lampe)

eine Lampe
(aine lampe)

Bij onzijdige zelfstandige naamwoorden: ein (ain). Zegt u maar na.

ein
(ain)

ein
(ain)

ein Fenster
(ain fenster)

ein Fenster
(ain fenster)

Het Nederlandse ‘hier is’ wordt in het Duits weergegeven door hier ist (hier iest). Zegt u het eens na:

hier ist
(hier iest)

hier ist
(hier iest)

hier ist
(hier iest)

We gaan dit toepassen met die woorden, die we nu al kennen. Even een voorbeeld:
Eerst komt:    Hier is een raam.
Dan zegt u:    Hier ist ein Fenster.
                  (hier iest ain fenster)
Daarna komt ter controle:  Hier ist ein Fenster.
                                   (hier iest ain fenster)

Daar gaan we: 

Hier is een bed.

Hier ist ein Bett.
(hier iest ain bet)

Hier is een kamer.

Hier ist ein Zimmer.
(hier iest ain tsiemer)

Hier is een gordijn.

Hier ist eine Gardine.
(hier iest aine kardie:ne)

Hier is een slaapkamer

Hier ist ein Schlafzimmer.
(hier iest ain sjlaaftsiemer)

Hier is de lamp.

Hier ist die Lampe.
(hier iest die: lampe)

Het Nederlandse woord ‘zijn’, zoals in ‘zijn wekker’, is in het Duits bij mannelijke zelfstandige naamwoorden: sein (zain). Zegt u het eens na.

sein
(zain)

sein
(zain)

sein Garten
(zain karten)

sein Garten
(zain karten) 

Bij vrouwelijke zelfstandige naamwoorden: seine (zaine). Zegt u ook dit na.

seine
(zaine)

seine
(zaine)

seine Lampe
(zaine lampe)

seine Lampe
(zaine lampe)

Bij onzijdige zelfstandige naamwoorden: sein (zain). Zegt u maar na. 

sein
(zain)

sein
(zain)

sein Fenster
(zain fenster)

sein Fenster
(zain fenster)

Nu een oefening met deze woorden. Begint u maar: 

Hier is zijn lamp.

Hier ist seine Lampe
(hier iest zaine lampe)

Hier is zijn tuin.

Hier ist sein Garten.
(hier iest zain karten)

Hier is zijn dochter.

Hier ist seine Tochter.
(hier iest zaine thochter)

Hier is zijn wekker.

Hier ist sein Wecker.
(hier iest zein wekker)

Hier is zijn slaapkamer.

Hier ist sein Schlafzimmer.
(hier iest zain sjlaaftsiemer)

Het Nederlandse ‘daar is’, bedoeld als tegenstelling tot ‘hier is’, wordt in het Duits weergegeven met dort ist (dort iest). Zegt u maar na.

dort ist
(dort iest)

dort ist
(dort iest)

dort ist
(dort iest)

Het Nederlandse en is in het Duits und (oent). Zegt u het eens na. 

und
(oent)

und
(oent)

und
(oent)

We gaan dit weer toepassen. U weet hoe het gaat.

Hier is een tuin en daar is een kamer.

Hier ist ein Garten und dort ist ein Zimmer.
(hier iest ain karten oent dort iest ain tsiemer)

Hier is zijn vader en daar is zijn dochter.

Hier ist sein Vater und dort ist seine Tochter.
(hier iest zain faater oent dort iest zaine thochter)

Hier is zijn tafel en daar is zijn wekker.

Hier ist sein Tisch und dort ist sein Wecker.
(hier ist zain tiesj oent dort iest zain wekker)

Hier is een bed en daar is zijn lamp.

Hier ist ein Bett und dort ist seine Lampe.
(hier iest ain bet oent dort iest zaine lampe)

Voor het Nederlandse ‘het is’ zeggen we in het Duits es ist (es iest). Zegt u het even na. 

es ist
(es iest)

es ist
(es iest)

es ist
(es iest)

Even een paar voorbeelden. Als u aan de puntjes toe bent, weer nazeggen: 

Het is zijn kamer.

Es ist sein Zimmer.
(es iest zain tsiemer)

Es ist sein Zimmer.
(es iest zain tsiemer)

Het is zijn dochter.

Es ist seine Tochter.
(es iest zaine thochter)

Es ist seine Tochter.
(es iest zaine thochter)

We gaan dit oefenen.
Eerst komt de Nederlandse zin: Het is zijn moeder.
Dan zegt u:    Es ist seine Mutter.
                  (es iest zaine moeter)
En daarna volgt ter controle: Es ist seine Mutter.
                                     (es iest zaine moeter)
Daar gaan we:

Het is een kamer.

Es ist ein Zimmer.
(es iest ain tsiemer)

Het is zijn lamp.

Es ist seine Lampe.
(es iest zaine lampe)

Het is de wekker.

Es ist der Wecker.
(es iest deer wekker)

Het is het raam.

Es ist das Fenster.
(es iest das fenster)

Het is een gordijn.

Es ist eine Gardine.
(es iest aine kardie:ne)

Het is zijn dochter.

Es ist seine Tochter.
(es iest zaine thochter)

Nu iets heel anders, waarop we later nog zullen terugkomen.
‘in de kamer’ is in het Duits im Zimmer.
‘in de tuin’ is in het Duits im Garten.
‘in bed’ is in het Duits im Bett.

Het Nederlandse ‘hij’ is in het Duits: er (eer). Zegt u het eens na.

er
(eer)

er
(eer)

er
(eer)

Het Nederlandse ‘zij’ is in het Duits: sie (zie:). Zegt u het eens na.

sie
(zie:)

sie
(zie:)

sie
(zie:)

Nu een oefening hierover. Zegt u de Duitse zinnen hardop na.

Hij is in de tuin.

Er ist im Garten.
(eer iest iem karten)

Er ist im Garten.
(eer iest iem karten)

Zij is in de slaapkamer.

Sie ist im Schlafzimmer.
(zie: iest iem sjlaaftsiemer)

Sie ist im Schlafzimmer.
(zie: iest iem sjlaaftsiemer)

Hij is in de kamer.

Er ist im Zimmer.
(eer iest iem tsiemer)

Er ist im Zimmer.
(eer iest iem tsiemer)

Zij is in bed.

Sie ist im Bett.
(zie: iest iem bet)

Sie ist im Bett.
(zie: iest iem bet)

We gaan dit op de bekende manier toepassen. Begint u maar.

Hij is in de tuin.

Er ist im Garten.
(eer iest iem karten)

Zij is in de kamer.

Sie ist im Zimmer.
(zie: iest iem tsiemer)

Hij is in bed.

Er ist im Bett.
(eer iest iem bet)

Zij is in de slaapkamer.

Sie ist im Schlafzimmer.
(zie: iest iem sjlaaftsiemer) 

We gaan nu er en sie toepassen met een aantal Duitse werkwoorden.

hij maakt open

er macht auf
(eer macht auf)

er macht auf
(eer macht auf)

hij werkt

er arbeitet
(eer arbeitet)

er arbeitet
(eer arbeitet)

zij staat

sie steht
(zie: sjteet)

sie steht
(zie: sjteet)

hij ziet

er sieht
(eer zie:t)

er sieht
(eer zie:t)

zij staat op

sie steht auf
(zie: sjteet auf)

sie steht auf
(zie: sjteet auf)

hij wordt wakker

er erwacht
(eer erwacht)

er erwacht
(eer erwacht)

hij loopt af
(de wekker)

er klingelt
(eer kliengelt)

er klingelt
(eer kliengelt)

Nu doen we het weer helemaal zelf: 

Peter wordt wakker.

Peter erwacht.
(pheeter erwacht)

Christel staat op.

Christel steht auf.
(kriestel sjteet auf)

Hij werkt in de kamer.

Er arbeitet im Zimmer.
(eer arbaitet iem tsiemer)

Hij ziet Christel.

Er sieht Christel.
(eer zie:t kriestel)

De wekker loopt af.

Der Wecker klingelt.
(deer wekker kliengelt)

Zij maakt open.

Sie macht auf.
(zie: macht auf)

Erzählung
De samenvatting van deze les is de toepassing van wat we geleerd hebben. Nu kunt u gaan beseffen, wat u intussen al hebt geleerd. Merkt u wel, dat u al heel wat kunt verstaan, begrijpen en zeggen in het Duits? U weet nu wel, wanneer van u wordt verwacht de zin in het Duits te zeggen. Hier komt ons ‘verhaal’. We maken kennis met Peter, zijn zusje Christel en hun vader en moeder: de familie Schwarz.

Begint u maar.

Hier is een kamer.

Hier ist ein Zimmer.
(hier iest ain tsiemer)

Het is een slaapkamer.

Es ist ein Schlafzimmer.
(es iest ain sjlaaftsiemer)

Hier staat een bed en daar staat een tafel.

Hier steht ein Bett und dort steht ein Tisch.
(hier sjteet ain bet oent dort sjteet ain tiesj)

In de kamer is een lamp.

Im Zimmer ist eine Lampe.
(iem tsiemer iest aine lampe)

Peter is in bed.

Peter ist im Bett.
(pheeter iest iem bet)

Zijn wekker loopt af.

Sein Wecker klingelt.
(zain wekker kliengelt)

Peter wordt wakker en staat op.

Peter erwacht und steht auf.
(pheeter erwacht oent sjteet auf)

Hij maakt het raam open.

Er macht das Fenster auf.
(eer macht das fenster auf)

De moeder staat in de tuin.

Die Mutter steht im Garten.
(die moeter sjteet iem karten)

Christel is in de kamer.

Christel ist im Zimmer.
(kriestel iest iem tsiemer)

In de leesoefening, die straks volgt, komen enkele nieuwe woorden voor, die we in de les niet gehad hebben. Zegt u de Duitse woorden na, zodat ze u straks vertrouwd voorkomen.

bij het raam

am Fenster
(am fenster)

am Fenster
(am fenster)

ook

auch
(auch)

auch
(auch)

De zuster van Peter.

Peters Schwester
(pheeters sjwester)

Peters Schwester
(pheeters sjwester)

Het is zeven uur.

Es ist sieben Uhr.
(es iest zie:ben oe:r)

Es ist sieben Uhr.
(es iest zie:ben oe:r)

Dit is het einde van les 1. U kunt nu de leesoefening en het huiswerk maken.

Leesoefening
Deze zinnen rustig, hardop lezen. Neemt u er de tijd voor deze oefeningen een paar maal te lezen. Niet inzenden, wel enkele malen rustig en duidelijk lezen. 

Hier ist ein Zimmer.

(hier iest ain tsiemer)

Es ist Peters Schlafzimmer.

(es iest pheeters sjlaaftsiemer)

Dort steht ein Tisch und hier ist sein Bett.

(dort sjteet ain tiesj oent hier iest zain bet)

Im Zimmer ist auch eine Lampe.

(iem tsiemer iest auch aine lampe)

Sein Wecker klingelt.

(zain wekker kliengelt)

Es ist sieben Uhr.

(es iest zie:ben oe:r)

Peter erwacht und steht auf.

(pheeter erwacht oent sjteet auf)

Er macht die Gardine auf und auch das Fenster.

(eer macht die: kardie:ne auf oent auch das fenster)

Gesproken huiswerk: de nu volgende zinnen kunt u inspreken. Tegelijk met het gesproken huiswerk uit de lessen 2 en 3 kunt u het insturen.
Sein Vater arbeitet im Garten.
Seine Mutter ist auch im Garten.
Christel steht im Zimmer am Fenster.
Sie eist Peters Schwester.

Schriftelijk huiswerk
Maak de volgende opgaven en stuur uw uitwerkingen ter correctie in.

Opgave 1.1 Vertaal de volgende zinnen in het Duits.

  1. In de slaapkamer staat een bed.
  2. Het is de kamer van Peter.
  3. In de kamer staat ook een tafel.
  4. Vader ziet de lamp.
  5. De lamp staat bij het raam.
  6. Zijn wekker loopt af.
  7. Peter maakt het gordijn open.
  8. Moeder is in de kamer en vader ook.

Opgave 1.2 Schrijft u de volgende zinnen over, vul in der, die of das en onderstreep wat u hebt ingevuld.

  1. … Tisch steht im Zimmer.
  2. … Mutter ist im Garten.
  3. Er macht … Fenster auf.
  4. Peter sieht … Lampe
  5. … Wecker klingelt.

Opgave 1.3 Schrijft u de volgende zinnen over, vul in sein of seine en onderstreep wat u hebt ingevuld.

  1. Sie ist … Schwester.             4. Es ist ... Garten.
  2. Er ist … Vater.                       5. Hier ist ... Zimmer.
  3. Es ist … Lampe.

Ben je na het volgen van de proefles enthousiast geworden?

Je kunt elke dag starten met de opleiding Duits voor beginners, dus zet vandaag nog de eerste stap!

Daarom FlexibelStuderen®:

  1. Erkende opleidingen, bekende naam
  2. Studeren met veel persoonlijk contact
  3. Voordelig studeren, transparant over kosten
  4. Studeren op jouw moment en jouw manier
  5. Overal studeren met onze online leeromgeving
  6. Persoonlijke begeleiding door mentoren en ervaren docenten
  7. Werkgevers zijn snel overtuigd
1 / 22