Proefles: Engels voor beginners

Leer je eerste woorden Engels lezen en schrijven!

Met deze proefles krijg je een indruk van de taalcursus Engels voor beginners van het NTI. Je krijgt inzicht in de lesstof. Je kan ook alvast vragen maken en deze zelf controleren. Mocht je vragen hebben, neem dan gerust contact met ons op. Heel veel succes en plezier met de proefles.

Dit is les 2 van de cursus Engels voor beginners.

In les 1 hebt u de woordjes in en from geleerd. Met deze woordjes kunt u aangeven waar iemand of iets zich bevindt. Woordjes als in en from staan vóór de plaats (waar iemand of iets zich bevindt) en worden dan ook voorzetsels genoemd.

U leert nu drie nieuwe voorzetsels. Zegt u ze maar na.

on
(on)

on
(on)

Op, aan

near
(nie:’)

Near
(nie:’)

Bij, in de buurt van

under
(andu’)

under
(andu’)

Onder









U hebt in de eerste les woorden geleerd die verband hielden met plaatsen in en om het huis. U krijgt nu wat woorden van dingen die u in allerlei vertrekken kunt aantreffen, dus dingen uit de directe omgeving. Zegt u maar na.

a bed
(u bed)

a bed
(u bed)

een bed

a bath
(u ba:Ɵ)

a bath
(u ba:Ɵ)

een bad

a chair
(u tsje:’)

a chair
(u tsje:’)

een stoel

a table
(u teebul)

a table
(u teebul)

een tafel

a wall
(u wo:l)

a wall
(u wo:l)

een muur

a picture
(u piktsju’)

a picture
(u piktsju’)

een plaatje, schilderij, foto

a floor
(u flo’)

a floor
(u flo’)

een vloer

a door
(u do’)

a door
(u do’)

een deur

a window
(u windoo)

a window
(u windoo)

een raam

U komt deze woorden vaak tegen samen met een voorzetsel, bijvoorbeeld:
op de tafel
aan de muur
onder de stoel
bij de deur

Deze woorden gaan we weer oefenen. U ziet zo meteen een aantal plaatjes. Op elk plaatje komt een van de voorgaande woorden voor.
Ook ziet u op elk plaatje een kruisje. Dit kruisje geeft aan welk voorzetsel u moet gebruiken: in, op, aan, bij of onder. Natuurlijk krijg u eerst een voorbeeld.

U zegt: on the table­­
(on ðu teebul)


on the wall

(on ðu wo:l)

aan de muur

near the door

(nie:’ ðu do:’)

bij de deur

on the floor

(on ðu flo:’)

op de vloer

 

under the chair
(andu’ ðu tsje:’)

in the bath
(on ðu ba: ba:Ɵ ) 

Vervolgens gaat u leren iets aan te wijzen. In het Nederlands zeggen we bijvoorbeeld:
deze deur, dit bed, die vloer, dat bad

Om aan te wijzen gebruiken we de woordjes deze, dit, die en dat.
Deze en dit worden gebruikt voor alles wat dichtbij is.
Die en dat worden gebruikt voor alles wat verder weg is.
Nu in het Engels. Zegt u maar na.

this
(ðis)

this
(ðis)

deze, dit

that
(ðe:t)

that
(ðe:t)

die, dat

Voor deze woorden moet u de th-klank weer gebruiken. De klank is lastig genoeg om goed te oefenen. Zegt u de voorbeelden maar na.

this door
(ðis do:’)

this door
(ðis do:’)

deze deur

this bed
(ðis bed)

this bed
(ðis bed)

dit bed

that floor
(ðe:t flo:’)

that floor
(ðe:t flo:’)

die vloer

that bath
(ðe:t ba:Ɵ)

that bath
(ðe:t ba:Ɵ)

dat bad

Hoe zegt u het volgende in het engels? Probeert u het eens.

deze stoel

this chair
(ðis tsje:’)

dit raam

this window
(ðis windoo)

die muur

that wall
(ðe:t wo:’)

dat schilderij

that picture
(ðe:t piktsju’)

U gaat vervolgens leren iemand voor te stellen. U leert tevens te zeggen wat iets is. In het Nederlands zeggen we bijvoorbeeld:
Dit is Jan en dat is Tom.
Dit is een stoel. Dat is een tafel.

In het Engels gaat dat als volgt. Zegt u maar na.

this is
(ðis iz)

this is
(ðis iz)

dit is

that is
(ðe:t iz)

that is
(ðe:t iz)

dat is

Deze laatste uitdrukking, het Engels voor ‘dat is’, wordt meestal verkort. Zegt u maar na.

that’s
(ðe:ts)

that’s
(ðe:ts)

dat is

Eerst een voorbeeld.
U zegt:  This is a chair.      Dit is een stoel.
           (ðis iz u tsje:’)

We beginnen met de oefening.

This is a picture.
(ðis iz u piktsju’)
Dit is een schilderij.

That’s a house.
(ðe:ts iz haus)
Dat is een huis.

That’s a wall
(ðe:ts iz u wo:l)
Dat is een muur.

This is a window.
(ðis iz u windoo)
Dat is een raam.

Dan is het tijd dat u wordt voorgesteld aan enkele mensen die u waarschijnlijk nog wel vaker in deze cursus zult tegenkomen. Om ze aan u voor te stellen wordt gebruikgemaakt van ‘dit is’.

This is Henry.
(ðis iz henri)
Dit is Henry.

This is Anne.
(ðis iz e:n)
Dit is Anne.

This is Susan.
(ðis iz soe:zun)
Dit is Susan.

This is Jack.
(ðis izdzje:k)
Dit is Jack.

In de volgende oefening ziet u de gezichten nog eens probeert u hen eens voor te stellen aan iemand die ze nog niet kent.

Vervolgens worden deze personen in een situatie geplaatst waarin niet helemaal duidelijk blijkt wie wie is. In een dergelijk geval wijst men de desbetreffende persoon meestal aan. U maakt dus gebruik van de Engelse woorden voor ‘dat is’, want u wijst iemand aan die verder weg staat. We oefenen dit aan de stand van afbeeldingen. Zegt u maar wie dit zijn, van links naar rechts.

(Susan)

That’s Susan.
(ðe:ts soe:zun)

Dat is Susan.

(Jack)

That’s Jack.
(ðe:ts dzje:k)

Dat is Jack.

(Anne)

That’s Anne.
(ðe:ts e:n)

Dat is Anne.

(Henry)

That’s Henry.
(ðe:ts henri)

Dat is Henry.

U bent nu zover dat u kunt gaan vragen naar personen. In het Nederlands doet u dat met behulp van de woorden ‘wie is’. Ook het Engels heeft hiervoor speciale woorden. Zegt u maar na.

who
(hoe:)

who
(hoe:)

wie 

In combinatie met ‘is’ wordt dit:

who is
(hoe: iz)

who is
(hoe: iz)

wie is

Meestal wordt echter de verkorte vorm gebruikt:

who’s
(hoe:z)

who’s
(hoe:z)

wie is

In de volgende oefening gaat u proberen te vragen wie iemand is. U maakt daarbij gebruik van de Engelse woorden voor ‘wie is’ en voor ‘dit’ en ‘dat’. De personen waar een pijltje bij staat, zijn weer verder van u verwijderd. De antwoorden op de vragen zijn al gegeven. 

he
(hie:)

he
(hie:)

hij

she
(sjie:)

she
(sjie:)

zij, ze

it
(it)

it
(it)

het

Ook deze woorden komen weer vaak voor met ‘is’. Zegt u maar na.

he is
(hie: iz)

he is
(hie: iz)

hij is

she is
(sjie: iz)

she is
(sjie: iz)

zij is

it is
(it: iz)

it is
(it: iz)

het is

Deze vormen worden ook vaak verkort. Zegt u maar weer na.

he’s
(hie:z)

he’s
(hie:z)

hij is

she’s
(sjie:z)

she’s
(sjie:z)

zij is

it’s
(it:z)

it’s
(it:z)

het is

Nu we dit kunnen, gaan we weer even terug naar de personen met wie we eerder hebben kennisgemaakt. Ze komen ieder uit een ander Engelstalig land. Hier komen de landen. Achter de landen staat wie uit welk land komt.

Zegt u maar na.

England
(ingklund)

England
(ingklund)

Engeland (Jack)

Canada
(ke:nudu)

Canada
(ke:nudu)

Canada (Susan)

America
(umeriku)

America
(umeriku)

Amerika (Henry)

New Zealand
(njoe: zie:lund)

New Zealand
(njoe: zie:lund)

Nieuw-Zeeland (Anne)

In de volgende oefening gaat u Jack, Susan, Henry en Anne voorstellen. U voegt er met behulp van een aanwijzing telkens aan toe waar hij of zij vandaan komt. Gebruikt u de verkorte vormen.

Anne/New Zealand

This is Anne. She’s from New Zealand.
(ðis iz e:n. sjie:z from njoe: zie:lund)
Dit is Anne. Zij komt uit Nieuw-Zeeland.

Henry/America

This is Henry. He’s from America.
(ðis iz henri. hie:z from umeriku)
Dit is Henry. Hij komt uit Amerika.

Susan/Canada

This is Susan. She’s from Canada.
(ðis iz soe:zun. sjie:z from ke:nudu)
Dit is Susan. Zij komt uit Canada

Jack/England

This is Jack. He’s from England.
(ðis iz dzje:k. hie:z from ingklund)
Dit is Jack. Hij komt uit Engeland.

Net als dat in de vorige les het geval was met de Engelse woorden voor ‘ik ben’ en ‘jij bent’ en ‘u bent’, kunt u ‘hij is’, ‘zij is’ en ‘het is’ ontkennend maken door middel van het woordje not. Dit kan voluit. Zegt u maar na.

he is not
(hie: iz not)

he is not
(hie: iz not)

hij is niet

she is not
(sjie: iz not)

she is not
(sjie: iz not)

zij is niet

 

it is not
(it iz not)

it is not
(it iz not)

het is niet

Deze vormen kunnen op twee manieren worden verkort. Zegt u maar na.

he’s not
(hie:z not)

he’s not
(hie:z not)

hij is niet

she’s not
(sjie:z not)

she’s not
(sjie:z not)

zij is niet

it’s not
(its not)

it’s not
(its not)

het is niet

Meestal gebruikt men echter de volgende verkorte vormen. Zegt u maar na.

he isn’t
(hie: iznt)

he isn’t
(hie: iznt)

hij is niet

she isn’t
(sjie:iznt)

she isn’t
(sjie:iznt)

zij is niet

it isn’t
(it iznt)

it isn’t
(it iznt)

het is niet

Een oefening hierover, met eerst een voorbeeld. 

Naam:

Jack

 

U zegt:

This is Jack.
(ðis iz dzje:k)

Dit is Jack.

Aanwijzing:

Canada

 

U zegt:

He isn’t from Canada.
(hie: izn’t from ke:nudu)

Hij komt niet uit Canada.

Aanwijzing:

England

 

U zegt:

He’s from England.
(hie:z from ingklund)

Hij komt uit Engeland.

Hier komt de oefening.

Susan

This is Susan.
(ðis iz soe:zun)

Dit is Susan.

America

She isn’t from America.
(sjie: iznt from umeriku)

Zij komt niet uit Amerika.

Canada

She’s from Canada.
(sjie:z from ke:nudu)

Zij komt uit Canada.

Henry

This is Henry.
(ðis iz henri)

Dit is Henry.

New Zealand

He isn’t from New Zealand.
(hie: iznt from njoe: zie:lund)

Hij komt niet uit Nieuw-Zeeland

America

He’s from America
(hie:z from umeriku)

Hij komt uit Amerika.

Anne

This is Anne.
(ðis iz e:n)

Dit is Anne.

England

She isn’t from England.
(sjie: iznt from ingklund)

Zij komt niet uit Engeland.

New Zealand.

She’s from New Zealand.
(sjie:z from njoe: zie:lund)

Zij komt uit Nieuw-Zeeland.

Meestal zullen we vragen waar iemand of iets vandaan komt. We maken dan de Engelse woorden voor ‘hij is’, ‘zij is’ of ‘het is’ vragend. Laten we dat eens gaan proberen. Zegt u maar na. 

Is he from England?
(iz hie: from ingklund)

Is he from England?
(iz hie: from ingklund)

Komt hij uit Engeland?

Is she from England?
(iz sjie: from ingklund)

Is she from England
(iz sjie: from ingklund)

Komt zij uit Engeland?

Is it from England?
(i zit from ingklund)

Is it from England?
(i zit from ingklund)

Komt het uit Engeland?

Het zal u weer opgevallen zijn, dat er in de vraag iets aan de volgorde van de woorden is veranderd.

Hij komt uit Engeland.

He’s from England
(hiez: from ingklund)

Komt hij uit Engeland?

Is he from England?
(iz hie: from ingklund)

De woordvolgorde van een Engelse vraagzin is dus gelijk aan die van een Nederlandse vraagzin.
Het antwoord op deze vraag kan bevestigend zijn.

Yes, he is. (jes hie: iz)

Ja.

Yes, she is. (jes sjie: iz)

Ja.

Yes, it is. (jes it iz)

Ja.

Het antwoord kan ook ontkennend zijn.

No, he is not.
(noo hie: iz not)

Nee.

No, she is not.
(noo sjie: iz not)

Nee.

No, it is not.
(noo it iz not)

Nee.

 

Deze vorm kan op twee manieren worden verkort.

No, he’s not. (noo hie:z not)

Nee.

No, she’s not. (noo sjie:z not)

Nee.

No, it’s not. (noo its not)

Nee.

Meestal gebruikt men evenwel de volgende verkorte vormen.

No, he isn’t. (noo hie: iznt)

Nee.

No, she isn’t. (noo sjie: iznt)

Nee.

No, it isn’t. (noo it iznt)

Nee.

Probeert u in de volgende oefening een zo’n kort antwoord te geven. Als het antwoord ‘nee’ is, gebruikt u dan de als tweede genoemde verkorte vorm. Een voorbeeld:

Vraag:

Is Jack from England?
(iz dzje:k from ingklund)

(Komt Jack uit Engeland?

Aanwijzing:

ja

 

U zegt:

Yes, he is.
(jes hie:iz)

(Ja.)

Gaat u verder!

Is Susan from Canada? /ja
(iz soe:zun from ke:nudu)
(Komt Susan uit Canada?)

Yes, she is.
(jes sjie: iz)

(Ja.)

Is Henry from New Zealand? /nee
(iz henri from njoe: zie:lund)

No, he isn’t.
(noo hie: iznt)

(Nee.)

Is Anne from America? /nee
(iz e:n from umeriku)
(Komt Anne uit Amerika?

No, she isn’t.
(noo sjie: iznt)

(Nee.)

We besluiten de les met te vragen waar iemand of iets is. Zegt u maar weer na.

Where is he?
(we:r iz hie:)

Where is he?
(we:r iz hie:)

Waar is hij?

Dit kan ook weer verkort worden. Zegt u maar na.

Where’s Jack?
(we:’z dzje:k)

Where’s Jack?
(we:’z dzje:k)

Waar is Jack?

Where’s he from?
(we:’z hie: from)

Where’s he from?
(we:’z hie: from)

Waar komt hij vandaan?

Gesproken huiswerk
De nu volgende tekst kunt u inspreken. Tegelijk met het gesproken huiswerk uit de lessen 1 en 3 kunt u het in de online leeromgeving insturen. Spreekt u alleen de Engelse zinnen in!

Who’s this?(hoe:z ðis)

Wie is dit?

This is Susan.
(ðis iz soe:zun)

Dit is Susan.

She isn’t from America.
(sjie: iznt from umeriku)

Ze komt niet uit Amerika.

Is she from Canada?
(iz sjie: from ke:nudu)

Komt zij uit Canada?

Yes, she is.
(jes sjie: iz)

Ja.

Who’s that near the window?
(hoe:z ðe:t nie:’ ðu windoo)

Wie is dat bij het raam?

That’s Henry.
(ðe:ts henri)

Dat is Henry.

Where’s he from?
(we:’z hie: from)

Waar komt hij vandaan?

Opgave 2.1 Vertaal de woorden tussen haakjes. Schrijf daarbij wel de hele zin op.

  1. The picture is (aan) the wall.
  2. This bed is (uit) France.
  3. Susan is (in) the bath.
  4. Jack is (bij) the window.
  5. The table is (onder) the window. 

Opgave 2.2 Beantwoord de volgende vragen in hele zinnen. In uw antwoord moet u gebruikmaken van de Engelse vertaling van het schuingedrukte woord dat is gegeven.
Voorbeeld: Where’s he from? (spanje)
Uw antwoord: He’s from Spain.

  1. Where’s that picture? (op de stoel)
  2. Where’s Henry from? (Amerika)
  3. Who’s this? (Susan)
  4. Where are you? (in de woonkamer)
  5. Where’s that chair? (in de keuken)

Opgave 2.3 Vertaal de volgende zinnen en woorden in het Engels.

  1. Waar komt zij vandaan?
  2. Wie is dit?
  3. Wie is dat?
  4. Is dat een tafel? Ja.
  5. Die stoel staat (is) bij de deur.
  6. Die foto hangt (is) bij het raam.
  7. Waar is dat huis?

Ben je na het volgen van de proefles enthousiast geworden?

Je kunt elke dag starten met de opleiding Engels voor beginners, dus zet vandaag nog de eerste stap!

Daarom FlexibelStuderen®:

  1. Erkende opleidingen, bekende naam
  2. Studeren met veel persoonlijk contact
  3. Voordelig studeren, transparant over kosten
  4. Studeren op jouw moment en jouw manier
  5. Overal studeren met onze online leeromgeving
  6. Persoonlijke begeleiding door mentoren en ervaren docenten
  7. Werkgevers zijn snel overtuigd
1 / 20