Proefles: Korte verhalen en romans schrijven

Maak van je hobby je beroep met de cursus Korte verhalen en romans schrijven

Met deze proefles krijg je een indruk van de cursus Korte verhalen en romans schrijven van het NTI. Je krijgt inzicht in de lesstof. Je kan ook alvast vragen maken en deze zelf controleren. Mocht je vragen hebben, neem dan gerust contact met ons op. Heel veel succes en plezier met de proefles.

Hoofdstuk 6 - Fantastische verhalen 

Fantasie en realisme

Er was eens... een zakenman die genoeg had van zijn werk. Hij zocht toch iedere dag zijn kantoor weer op, want hij wilde dat zijn gezin in Welstand kon leven. Elke dag kwam hij vermoeid en treurig thuis, en hij schonk zich dan een stevige borrel in om nog iets van welbehagen te voelen. Gelukkig wist hij niet dat zijn vrouw, die uitgekeken was op de droeve dronkaard, 's middags heel intiem was geweest met de Jongste Bediende van het bedrijf. Hun zoon had zich tot nietsnuttende playboy ontwikkeld, hun dochter zwierf rond met een luizig muziekgroepje. Maar op een avond, heel laat, toen de man weer tegen de bodem van een fles zat aan te kijken, verscheen er, onder zachte harpklanken, een fee die hem aanraakte met een vonkensproeiend stokje. ‘Ga mee,’ zei ze, met een stem als het geluid van kleine klokjes.

Wordt dit nog wat, denkt u?
Veel lezers zullen vinden dat dit verhaal niet meer bevredigend kan worden voortgezet. De hoofdpersoon is verstrikt geraakt in realistische conflicten tegen een realistisch decor, en dan duikt er een sprookjesfiguur op die de moeilijkheden wel even zal oplossen. Dat is ‘fantastisch’, dat kan helemaal niet, en dat deugt dus niet.

Men kan deze plotwending om twee redenen afwijzen. Ten eerste: de lezer (filmkijker) kan vinden dat realisme een voorwaarde is voor het boeiend zijn van een verhaal voor volwassenen. Een realistisch verhaal hoeft natuurlijk niet ‘waar gebeurd’ te zijn - al is dat voor velen wel een aanbeveling! - maar de verhaalwerkelijkheid dient wel overeen te komen met de werkelijkheid die mensen dagelijks aan den lijve ervaren. Zwaartekracht, files op de wegen, school en kantoor, relatieconflicten. Fantaseren is een beetje toegestaan, mits de fantast (schrijver, filmer) zich beperkt tot het spelen met elementen uit de werkelijkheid. Weg met Alice in Wonderland, weg met Tarzan of the Apes, weg met Olivier B. Bommel en die onzin over Graaf Dracula.

Een andere reden om de goede fee te verwensen is deze: zij presenteert een oplossing (laten we dat hopen voor die zakenman) die niets met de aard van de conflicten te maken heeft. De schrijver had iets tussen 

man en vrouw of tussen ouders en kinderen moeten laten plaatsvinden, maar hij was daar kennelijk niet inventief genoeg voor. De toneelschrijvers uit de zeventiende en de achttiende eeuw lieten zich al smalend uit over zo'n oplossing, die zij deus ex machina noemden: als de ondergang zeer nabij is voor de held, komt er een engel neerdalen die aan de ellende een einde maakt. Gemakzucht!

Fantastische verhalen, verhalen waarin dingen gebeuren die in werkelijkheid niet kunnen, zijn op het ogenblik zo buitengewoon populair (Stephen King en de schrijvers van fantasy) dat zeer veel volwassen lezers zich kennelijk niet storen aan het doorbreken van nuchter realisme. Anders gezegd: er bestaat een sterke behoefte zich te verplaatsen in een andere ‘werkelijkheid’. Iedereen, ook de Straaljagerpiloot, de Geheime Agent en de Grote Onderzoeker, ervaart de dagelijkse realiteit als voorspelbaar en nauw begrensd, omdat de menselijke geest zich nu eenmaal veel meer kan voorstellen dan door de zintuigen wordt waargenomen. De belangrijkste functie van het fantastische verhaal is dus eenvoudig het aankleden, kleurrijker maken, van onze ervaringen.

Het geslaagde fantastische verhaal heeft nog een functie. We proberen dat duidelijk te maken aan de hand van een voorbeeld: een sprookje.

In telegramstijl: een koning heeft drie nog ongetrouwde zoons. De zoons trekken erop uit om een schone prinses te veroveren. Zoon 1 en zoon 2 gaan na elkaar op pad. Ze negeren de raad van arme oude vrouwtjes, ze laten zich bedriegen door een hebzuchtige waard. Als ze al terugkomen, komen ze met terug met niks. Zoon 3, de jongste, een vrolijke, onbevangen knaap, luistert eerbiedig naar de vrouwtjes en hij gaat niet in op de voorstellen van de waard (kaartspelen, overnachten – iets waar de vrouwtjes voor gewaarschuwd hebben). Zoon 3 arriveert bij een paleis en ziet daar een knappe prinses. Haar moeder is echter niet van plan het meisje zo maar uit te huwelijken; de kandidaat-echtgenoot moet een aantal waanzinnig moeilijke opdrachten volbrengen. Bergen verplaatsen, zeeën leegdrinken, enzovoort. Zoon 3 schakelt de oude vrouwtjes in, die tovenaressen blijken te zijn, en ziet: de bergen verschuiven, de zeeën verdwijnen. Zoon 3 kan aan zijn vader de mooiste vrouw van de wereld voorstellen. En ze leven nog lang en gelukkig.

We proberen u niet wijs te maken dat dit simpele verhaaltje een bedoeling heeft, althans niet een andere bedoeling dan het vermaken van luisteraars of lezers. Maar ook simpele verhaaltjes zijn alleen vermakelijk als de verhaalelementen betekenisvol zijn, als de plot verwijst naar algemeen-menselijke ervaringen. We noemen ze op:
• Op ons levenspad krijgen we te maken met goede en kwade invloeden. Men dient zich open te stellen voor de goede, en sterk genoeg te zijn om zich te weren tegen de kwade. Alleen dan kan iemand zoiets als ‘geluk’ vinden.
• Onbevangenheid is te prefereren boven zelfingenomenheid.
• Wie verliefd is moet barrières overwinnen; de zwaarste tegenstander is de vader/moeder van de geliefde (‘de boze schoonmoeder’).

Wie deze wijsheden in een realistisch verhaal wil verwerken, zit met het probleem dat de ‘betekenisvolle elementen’ ten onder dreigen te gaan in al die andere details: personages hebben woningen, relaties, werk, verplichtingen, en al die zaken moeten op z'n minst aangestipt worden. U ziet wat de sprookjesverteller gedaan heeft: hij heeft de realiteit vervangen door een wereld die uitsluitend uit betekenisvolle elementen bestaat. Een wereld waarin de abstracties ‘goed’, ‘kwaad’, te overwinnen moeilijkheden’, concreet vorm gekregen hebben, namelijk in respectievelijk oude vrouwtjes, een hebzuchtige waard, en in bergen (zeeën). Dat is dus de tweede functie van het fantastische verhaal: vorm geven aan wat de essentie is van menselijke ervaringen.

Een schrijver die onbevangen wil fantaseren, hoeft zich door deze constatering niet van de wijs te laten brengen. Als hij intuïtief door een bepaalde voorstelling geboeid wordt, betekent dat al dat er met die voorstelling iets essentieels verbonden is. Voor hem, althans. Wanneer de auteur niet heel anders in elkaar zit dan de lezers, zullen ook die lezers bewust of onbewust betekenis kunnen hechten aan de fantastische personages, voorwerpen of situaties.

In de volgende paragrafen gaan we nader in op die essentie, die in goede fantastische verhalen aanwezig moet zijn. Alles wat we daarover zeggen, geldt ook voor de horror- en sciencefictionverhalen, maar aan die genres zijn andere lessen gewijd; in het onderstaande zal daaraan dus geen aandacht meer besteed worden.

De essentie in fantastische verhalen

sjakie en de chocoladefabriekIn november 1990 overleed Roald Dahl, van wiens kinderboeken zowel kinderen als volwassenen niet genoeg kunnen krijgen. We bedrijven in deze cursus geen literatuurkritiek, dus we hoeven gelukkig geen poging te doen om uit te leggen waarom de fantasieën van Dahl over de hele wereld meer aanspreken dan de vertelsels van anderen. Maar dat moet te maken hebben met Dahls behandeling van essentiële, voor iedereen invoelbare ervaringen.

In Sjakie en de chocoladefabriek wordt de hoofdpersoon, het arme jongetje Sjakie, met nog vier andere kinderen rondgeleid in de wel zeer fantastische snoepfabriek van meneer Willy Wonka. Het meest indrukwekkend is wel de rivier van warme, vloeibare chocola, een rivier waar je met een boot op kunt varen, en dan zijn er nog de liften die razendsnel alle kanten op kunnen zoeven. De vier andere kindertjes zijn dom, dik, verwend en/of vraatzuchtig, en zij gaan in de fabriek aan hun slechte eigenschappen akelig ten gronde. Sjakie blijkt een jongetje naar Wonka's hart, en aan het einde, als ze met een superlift dwars door het dak de ruimte in schieten, deelt Wonka mee dat hij zich als fabrieksdirecteur wenst terug te trekken en dat Sjakie de nieuwe eigenaar is.

Zo'n verhaal kunt u ook bedenken, op een zondagmiddag, want de plot is niet bijzonder. De manier waarop Dahl in iedere scène ‘het fantastische’ laat optreden, is echter uniek. Hij voelt haarfijn aan hoe, om het wijsgerig te zeggen, een kind de beperktheid en de angstaanjagendheid van het leven ervaart, en hoe het zich daartegen wapent in zijn fantasie. Een chocoladereep is lekker, maar je hebt hem zo op. En meer repen achter elkaar opeten bederft je eetlust, nietwaar, en je krijgt er slechte tanden van. Elke opvoeder doet zijn best om de kinderlijke snoepneigingen op een verstandige manier in toom te houden, en elk kind begrijpt ook wel hoe verstandig dat is. Maar is er iets verrukkelijker dan een onafzienbare stroom, een heuse rivier van chocola? Een rivier waar je in kunt springen en waarop je kunt varen? Luilekkerland! leder kind heeft zich in een lift wel eens afgevraagd of het ding door de vloer kon zakken, of de lucht in kon schieten bij een technisch mankementje. Maar echte liften stoppen altijd keurig op tijd. Prettig en veilig, en een beetje teleurstellend. Als zo'n supersnelle wolkenkrabberlift nou eens niet op tijd wordt afgeremd... Met het gefantaseer over onstuitbare liften, liften waarmee je om de aarde kunt tollen, bevredigt Dahl zijn lezers zeer.
Waar zowel de oudere als de jongste lezers van Dahl-verhalen heel vrolijk van worden, is de onbekommerde wijze waarop wraak genomen wordt op het misselijke gedoe van de onsympathieke personages. Walgelijke etters weet Dahl ons voor te schotelen, krengen die bij de meest evenwichtige persoonlijkheden de moordlust hevig aanwakkeren. De kinderen met wie Sjakie door de fabriek loopt, zouden we met genoegen in een gehaktmolen duwen, en dat is dan ook ongeveer wat er met hen gebeurt: hun egoïsme, vraatzucht en hebzucht zijn er de oorzaak van dat zij vernietigd worden in fantastische machines. Pedagogen zullen daar wel eens moeite mee hebben, want het aanwakkeren van wraakzuchtigheid behoort niet tot de gangbare opvoedingsprogramma's. Terecht niet, maar pedagogen schrijven zelden goede kinderboeken. De behoefte om met iemand die je leven verpest definitief af te rekenen, leeft nu eenmaal wel in ons, en met de geestige, kleurrijke beschrijving van wraakoefeningen speelt Dahl daar effectief op in. De makers van Rambo-films doen dat ook, maar dan op een minder grappige manier.
Samengevat: de essentie waarmee deze fantastische elementen samenhangen, is de behoefte aan mateloosheid, aan het opheffen van beperkingen, aan het vernietigen van wat lelijk is. In J.K. Rowling, de schrijfster van de reeks Harry Potter, heeft Roald Dahl een waardige opvolgster gekregen.

1983: Roald Dahl

roald dahlVermoedelijk heeft geen schrijver de twintigste eeuw zoveel (kinder) haren overeind doen staan als de Engelsman Roald Dahl (1916-1990). Zijn bizarre fantasie en grote inventiviteit hebben gemaakt dat iedereen zich wel details uit zijn boeken herinnert. Wat tot voor een jaar of vijf ! tot de verschijning van de biografie van Jeremy Treglown ! veel minder bekend was, is dat de karakters en gebeurtenissen uit de boeken van Dahl heel wat autobiografische trekken vertonen. Naar gewone-mensenbegrippen was deze grote kindervriend immers rounduit een zak.

In de zomer van 1983 kreeg Roald Dahl, wereldberoemd, vanwege zijn bizarre kinderverhalen en even bizarre vertelsels voor grote mensen, het verzoek een fotoboek te recenseren. De reden dat de Literary review hem vroeg was geen toeval. De nieuwe eigenaar, een Palestijn, wist van Dahls antisemitische gevoelens. Bovendien wist hij dat Dahl zich van de publieke opinie niets aantrok. En inderdaad, in de recensie stond dat na de Israëlische aanval op Libanon iedereen `joden begon te haten' en dat het boek iedere lezer `fel anti-joods zou maken'. Weliswaar werd `joods' door de redactie in `Israëlisch' veranderd maar het effect was niet minder: Engeland stond op zijn kop en in de Verenigde Staten stuurden tal van lezers hun boeken terug. Al beweerde Dahl dat hij zich tegen onrecht- en niet tegen joden of Israëlkeerde, eerlijk was hij daarbij niet. Zo reageerde hij op een telefoontje van de Jewish Chronicle met de opmerking: “Ik ben een ouwe rot in de omgang met jullie zakkenwassers. Geen commentaar”.
De affaire zegt niet zozeer iets over het al dan niet vermeende antisemitisme van Roald Dahl, het zegt iets over het karakter van de man en de instelling waarmee hij zijn boeken schreef. Want het was zoals een vriend van hem beweerde, de (van oorsprong joodse) filosoof Isaiah Berlin: “Volgens mij kon Dahl willekeurig wat zeggen. Het had even goede pro-Arabisch of pro-joods kunnen zijn. Er zat geen lijn in. Hij was een man die zijn nukken volgde, wat inhield dat hij in één richting kon `ontploffen'. Allicht dat die verbeelding deel uitmaakte van zijn werk”.

De schrijvers carrière van Roald Dahl had ondertussen al tal van dergelijke relletjes gekend. Geboren in Llandaff, Wales, was hij zijn werkzaamheden begonnen als gevechtspiloot in de Royal Air Force. Zijn eerste activiteit als schrijver hielden hiermee verband: een verslag van zijn vliegerservaringen voor de Saturday Evening Post. In 1943 publiceerde hij zijn eerste boek, The Gremlins. Het draaide om een oude RAF-legende die vertelde dat alles wat er bij het vliegen misging niet werd veroorzaakt door menselijke fouten maar door bovennatuurlijke, kwade krachten.

Hoewel Disney meteen de rechten van dit verhaal verwierf en ook als uitgever van het boek optrad, duurde het tot 1984 dat The Gremlins als film op de markt kwam. Toen was Dahl inmiddels een gevierd schrijver, bij volwassenen vooral bekend door M'n liefje, m'n duifje, bij kinderen door Sjakie en de chocoladefabriek, bij de nietlezende meerderheid als scriptschrijver van de James Bond-film You only live twice.
Tientallen werken, waaronder 18 kinderboeken van hoge kwaliteit, horen verder in dit rijtje. Ze maakten Dahl beroemd, rijk en een zo mogelijk nog lastiger mens dan hij al was. Halverwege de jaren 80 kreeg hij ook nog eens een ziekte onder de leden. Hij werd er niet milder door. Voor zijn omgeving een ramp, voor zijn lezers een zegen.

Chris van der Heijden
Bron: Algemeen Dagblad, 26 oktober 1999

Een auteur die ook zowel volwassen lezers als kinderen vermaakt, is Marten Toonder, de schepper van de onvergetelijke kasteelheer Olivier B. Bommel. De wereld van Toonder, Rommeldam en omstreken, is niet alleen maar fantastisch omdat die door sprekende dieren wordt bevolkt, of omdat er vaak onheil wordt aangericht door getalenteerde magiërs. Als we afzien van de, per verhaal verschillende, toverkunsten en onze aandacht richten op het stadje Rommeldam, zien we dat ‘het fantastische’ hier samenhangt met onze onuitroeibare behoefte aan hiërarchie en ritueel. Bommel en zijn knecht Joost, maar ook burgemeester Dickerdack, commissaris Bulle Bas, de boeven Super en Hieper, de onbetrouwbare professor Sickbock, de wereldvreemde professor Prlwitzkofsky, enzovoort enzovoort, spelen met grote toewijding strikt voorgeschreven rollen. Het is voor hen volstrekt onmogelijk anders te reageren dan ze altijd al gedaan hebben; tot in hun taalgebruik toe zijn ze gebonden aan onwrikbare voorschriften. 

Wonderlijk genoeg gaat daar een grote aantrekkingskracht van uit! Een wereld ‘waarin ieder zijn plaats kent’ komt niet voor in de moderne, officiële ideologieën, maar dat betekent natuurlijk niet dat het menselijk verlangen naar zo'n overzichtelijke wereld daarmee is uitgebannen. Verhalen kunnen een goed tegenwicht vormen tegen officiële ideologieën!

Fantasy

In de boekenwereld werd het genre fantasy altijd bij science fiction ingedeeld, omdat het nu eenmaal ging om avonturen tegen niet-realistische decors. Die traditie zetten we in deze cursus niet voort, om twee redenen. In de eerste plaats gaat het om wezenlijk verschillende verhalen: de sf-auteur trekt lijnen van bestaande ontwikkelingen door en is dus in principe rationeel bezig, terwijl de schrijvers van fantasy ons ontvankelijk willen maken voor machten en invloeden die niets met technologie te maken hebben. Ten tweede: het genre fantasy heeft qua populariteit de science fiction de laatste jaren verre overtroffen en we kunnen het dus niet afdoen als een onderafdeling.
Met het gewone fantastische verhaal (sprookjes, kinderboeken, Alice in Wonderland) heeft fantasy natuurlijk gemeen dat het ook hier gaat om de essenties van menselijke verlangens en ervaringen, maar de vele liefhebbers ervan zoeken in de verhalen toch iets meer dan alleen maar het niet-realistische decor. Wezenlijk voor het fantasy-verhaal is de verbondenheid met de oud-Keltische literatuur, met als centrum de Ronde Tafel van King Arthur. De om die tafel verzamelde ridders, trouwe volgelingen van de legendarische koning, begaven zich onverschrokken in avonturen met als doel de eenheid van het rijk te behouden en het te verdedigen tegen kwade machten. Zo’n avontuur had het karakter van een quest (queeste, zoektocht), waarin de held opmerkzaam moest zijn op allerlei signalen, om bijgestaan te kunnen worden door bovennatuurlijke machten. De ware held was niet alleen fysiek sterk en behendig, zodat hij de tweegevechten kon winnen, maar hij was ook ontvankelijk voor de invloeden van het Goede – een duidelijke overeenkomst met het klassieke sprookje.

Dat geeft het fantasy-verhaal een bijzondere inhoud, die meer is dan alleen ‘fantastisch’. Een medewerker van de Koninklijke Bibliotheek, Dennis Schouten, heeft in zijn overzicht van sf- en fantasy-titels, de volgende definitie gegeven:
fantasy gaat over een niet-technologische, naar middeleeuws model gestructureerde beschaving, waarin magie en heroïek een grote rol spelen.
(D. Schouten, Een wereld naar keuze. Dagon Pers, 1986)

De essentie waar het in deze literatuur om gaat, is kennelijk ontvankelijkheid voor het goede en trouw: trouw aan elkaar, en aan de idealen die ten grondslag liggen aan de eigen beschaving. Dat blijkt op zeer veel lezers een grote aantrekkingskracht uit te oefenen. De meest invloedrijke serie uit het genre is natuurlijk Tolkiens The fellowship of the Ring (In de ban van de ring), die ook succesvol verfilmd is.

Het literaire fantastische verhaal: magisch-realisme

lotrDe literaire kritiek heeft zich wel eens over Tolkien gebogen, en ook wel eens over de Bommelverhalen, maar het genre fantasy wordt nog steeds beschouwd als kinderlijk vermaak, vanwege de harde tegenstelling tussen Goed en Kwaad. Men beschouwt het als een uiting van puberale fantasieën. De fantasy-liefhebber zal dat een zorg zijn en ook de cursist moet er maar het zijne/hare van denken. Er is ook een literaire versie van het fantastische verhaal, en dat genre noemt men het ‘magisch-realisme’. Ook voor deze verhalen geldt de wet dat het fantastische element alleen door lezers gewaardeerd kan worden als het verbonden is met bepaalde menselijke ervaringen, verlangens of angsten. Het invoeren van een wandelende boom of een sprekende aardappel zonder meer zal een verhaal in het algemeen bederven. Met het boosaardig oprukken van bomen kan bijvoorbeeld gedoeld worden op een poging van de wanhopige natuur om zich te verzetten tegen de onverschillige mens; deze thematiek vindt u in het werk van Jacques Hamelink (Het plantaardig bewind).

carl gustav jungIn veel sprookjes en literaire verhalen is die vereiste essentie een zogenaamd archetype, een begrip dat ontleend is aan de dieptepsychologische theorie van Carl Gustav Jung.
Jung beweerde dat alle mensen een collectief onbewuste gemeen hebben, een product van de menselijke evolutie. De inhoud van dat collectief onbewuste bestaat uit de archetypen, meestal gezien als oerbeelden van belangrijke menselijke ervaringen als liefde en haat, de moeder-kindrelatie, goed en kwaad, dood en (het verlangen naar) wederopstanding. De gemakkelijk aansprekende term ‘oerbeelden’ is in feite onjuist, want wat mensen van verschillende culturen gemeen hebben is niet een partij standaardplaatjes, maar het vermogen om zich, na gevormd te zijn in de eigen cultuur, beelden te vormen van het Kwade, het Goede enzovoort. In elke cultuur vinden we verhalen over duivels, heksen, figuren die de dood symboliseren, en verlossers. Archetypisch is verder het onderscheid tussen persona (het bewust gehanteerde zelfbeeld) en schaduw (de onderbelichte, verdrongen kant van de persoonlijkheid), en daarmee samenhangend de anima (het beeld van de ideale vrouw) en de animus (het beeld van de ideale man).
Wanneer een schrijver, meer of minder bewust, figuren laat optreden die geïnterpreteerd kunnen worden als archetypen, zegt men dat zijn werk tot het magisch-realisme behoort. Het woord ‘realisme’ wijst op de tweede voorwaarde: de verhaalwereld moet overeenkomen met de ons bekende realiteit. Dat wil zeggen: de verhalen spelen zich af tegen realistische decors, steden met trams, cafés en de gemeentereiniging, en de belangrijkste personages zijn mensen zoals u en ik. Bij het verschijnen van het archetype doen zich verschijnselen voor die niet in de realiteit passen en die de hoofdpersoon in verwarring brengen. De tijd blijkt stil te staan, hij herkent zijn omgeving niet meer, hij meent voortdurend iemand te zien die al overleden is, enzovoort. In het Nederlands taalgebied is het magisch-realisme grotendeels een zaak geweest van Vlaamse auteurs als Hubert Lampo en Johan Daisne.

Nu de genreaanduiding magisch-realisme aanvaard is, worden de literatuurbeschouwers met een probleem opgezadeld: wanneer noem je een verhaal met zowel realistische als fantastische trekken magisch-realistisch en wanneer ‘gewoon fantastisch’? Anders gezegd: hoe weet je of een bovennatuurlijke verschijning een archetype is? Er bestaat nu eenmaal geen officieel goedgekeurde Lijst van Echte Archetypen. Natuurlijk is de Dood, als persoon voorgesteld, een archetype, en dat geldt ook voor de boosaardige geleerde (duivel). Maar hoe zit het bijvoorbeeld met de Geest van een Voorvader die door het oude landhuis spookt? Is ‘overleden familielid’, ‘voorvader’, een archetype of niet? Dit is typisch een geleerdenvraagstuk; schrijvers hebben niet veel belang bij de oplossing ervan. Het spookverhaal wordt niet spannender als de critici vaststellen dat er een archetype in voorkomt. De schrijver moet ervoor zorgen dat het spookachtig optreden in de wereld van zijn verhaal geloofwaardig en functioneel is; het doet er niet toe of de lezer het spook accepteert als oerbeeld of als verhaalmotief uit de westerse cultuur.

 

Opdracht hoofdstuk 6

Als voorbereiding op les 24: bedenk eens een plot voor een fantasy-roman of voor een magisch-realistisch verhaal. U hoeft geen scènes te schrijven en u hoeft ook nog geen persoonsnamen te bedenken.
Concreet:

fantasy
• het land, de gemeenschap
• de hoofdpersoon (-onen)
• de dreiging van buiten
• het doel van de expeditie (de ‘queeste’)

magisch-realisme
• het (innerlijke) probleem van de hoofdpersoon, iemand die leeft in onze tijd
• het archetype dat hij ontmoet (de Dood, een boodschapper, de Anima of Animus, een Verlosser, de Duivel, de Schaduw – zijn verborgen ik)
• de afloop (globaal)

Aan de vorm waarin u uw ideeën noteert, stellen we geen eisen. Het doel is vertrouwd te raken met één van de genres; natuurlijk is het niet erg dat u later een heel andere plot gebruikt.

Ben je na het volgen van de proefles enthousiast geworden?

Je kunt elke dag starten met de cursus Korte verhalen en romans schrijven dus zet vandaag nog de eerste stap!

8 redenen om bij het NTI te studeren

  1. Erkende opleidingen, gewaardeerd in het bedrijfsleven
  2. Prettige en deskundige begeleiding door ervaren docenten
  3. Voordelig lesgeld
  4. Flexibel studeren
  5. Studeren met veel persoonlijk contact
  6. Modern studeren via onze online leeromgeving
  7. Persoonlijke studiebegeleiding van een mentor
  8. Studeren op kosten van de werkgever en/of de fiscus
1 / 14