Gespecialiseerd pedagogisch medewerker

Proefles: Gespecialiseerd Pedagogisch medewerker

Leuk dat je een proefles hebt aangevraagd! Met deze proefles krijg je een indruk van de mbo-opleiding Gespecialiseerd pedagogisch medewerker. Je krijgt inzicht in de lesstof. Je kan ook vragen maken en deze zelf nakijken. Mocht je andere vragen hebben, neem dan gerust contact met ons op. Heel veel succes en plezier met de proefles.

Gedragsproblemen

Inleiding

Gedragsproblemen nemen toe. Kinderen laten met hun gedrag zien hoe zij zich voelen, wat zij vinden, wat zij willen bereiken en hoe zij zijn. Als je goed op hun gedrag let, kun je dus veel over hen te weten komen. Je kunt dan ook beter op hen reageren. Bij kinderen die problemen hebben, zie je dat aan hun afwijkende gedrag. Het gedrag wijkt af van hoe andere kinderen zich in dezelfde situatie gedragen, of het wijkt af van wat wij normaal gedrag vinden. Dit thema gaat over kinderen met gedragsproblemen. We gaan in op gedrag en probleemgedrag. We bespreken verschillende lichtere vormen van gedragsproblemen, hoe je ze signaleert en hoe je kunt handelen bij deze gedragsproblemen. In het laatste deel gaan we in op zwaardere gedragsproblemen: angststoornissen, oppositioneel opstandig gedrag en antisociaal gedrag.

Gedrag

Gedrag is een veelomvattend begrip. Gedrag komt voort uit alles wat we denken, voelen, waarnemen, kunnen en vinden. Daarover lees je in het boek Cliënt en Omgeving. We herhalen kort de definitie van gedrag, noemen een aantal aspecten en de factoren die er invloed op hebben.

Definitie gedrag

Is de wijze waarop iemand reageert op de omgeving, handelt of zich uit. Dit is onder te verdelen in drie aspecten:1. motorisch, 2. cognitief en 3. sociaal-affectief. Gedrag wordt beïnvloed door drie gedragsdeterminanten (bepalende factoren): 1. psychosociale factoren, 2. aanlegfactoren en 3. organische factoren.

Gedrag is alles wat mensen doen of juist niet doen. Dat laatste klinkt misschien vreemd, maar ook door iets niet te doen, druk je uit wat je denkt, vindt of voelt. Denk maar aan een kind dat stil in een hoekje gaat zitten omdat het boos is. Misschien zie je op het eersteoog weinig aan dat kind. Maar als je het wat langer kent, weet je wel of dit voor het kind normaal gedrag is of niet.

Gedragsaspecten

In de ontwikkelingspsychologie wordt gedrag uit elkaar gehaald in een motorisch, cognitief en sociaal-affectief aspect.

Het motorische aspect gaat over grofmotorische vaardigheden als lopen, springen, klauteren en fijnmotorische vaardigheden als knippen, puzzelen en tekenen.

Het cognitieve aspect heeft betrekking op kennis, inzicht, geheugen, waarneming en concentratie. Sociaal­affectieve aspecten gaan over de ontwikkeling van de persoonlijkheid. Sociale aspecten hebben betrekking op hoe een kind omgaat met anderen, spelgedrag en seksueel gedrag. Bij affectief gedrag gaat het om gevoelens. Wat voelt het kind naar anderen toe en hoe reageert het emotioneel op anderen, heeft het vertrouwen, voelt het zich veilig, enzovoort.

Deze ontwikkelingspsychologische aspecten zijn wel van elkaar te onderscheiden maar niet te scheiden. Ze hangen met elkaar samen en beïnvloeden elkaar. Wat een kind meemaakt, heeft invloed op het gedrag. Het heeft bij een gebeurtenis gevoelens en gedachten en die beïnvloeden weer het gedrag.

Dalisha ziet een spin. Ze is nieuwsgierig en bestudeert hem nauwkeurig (gedachten). Plotseling begint de spin in haar richting te bewegen. Ze deinst achteruit (handelen). Blijkbaar roept de beweging schrikreacties bij haar op (emotie). Fien stelt haar gerust: 'De spin is zijn web aan het maken. Zie je hoe knap hij dat doet?' Dalisha kijkt het even aan en denkt erover na; is er gevaar of niet (gedachten). Ze besluit dat dat wel mee valt (gedachten) en gaat weer dichter bij de spin staan (handelen). De gedachten van Dalisha hebben haar schrikreactie overwonnen.

Dit is een simpel voorbeeld maar je kunt dat ook doortrekken naar ingewikkeldere situaties. Denk maar aan de reacties in de samenleving op discriminerende uitlatingen van politici of andere toonaangevende mensen. Op internet en in gesprekken zie je dan ook alle aspecten elkaar afwisselen en beïnvloeden: emoties, gedachten en handelen /gedrag. Gebeurtenissen kunnen erdoor escaleren of gesust worden. Hoe toonaangevende personen en andere politici op dat moment reageren, is daarbij van groot belang. Als het goed is, reageren zij op alle drie de aspecten:

  • ze respecteren de gevoelens die mensen hebben; 
  • ze proberen de gedachten in positieve zin om te buigen; 
  • zen ze stellen grenzen aan het gedrag.

Jouw interventies in het gedrag van kinderen zijn ook gericht op deze drie aspecten: wat voelt, denkt en doet het kind, hoe reageer je daarop en stel je grenzen.

Drie gedragsdeterminanten

De gebeurtenissen in het leven van een kind hebben invloed op zijn gedrag. De invloed op het gedrag kun je in verschillende factoren uit elkaar halen: de gedragsdeterminanten.

  1. Psychosociale factoren: opvoeding, gezinsfactoren, vrienden en relaties, omgevingsfactoren, ervaringen en emoties 
  2. Aanlegfactoren: erfelijkheid, persoonlijkheid en temperament
  3. Organische factoren: lichamelijke factoren, biochemische en hormonale factoren

Ook hier zijn jouw interventies in de opvoeding op gericht. Op sommige determinanten heb je uiteraard minder invloed dan op andere. Ook is het zo dat gedrag dat een kind zich eenmaal aangeleerd heeft, moeilijk te veranderen is. Maar een pedagogisch medewerker heeft in ieder geval de gelegenheid om samen met de ouders gedragsproblemen van een kind positief te beïnvloeden. Daar komen we later nog op terug.

Probleemgedrag

In deze paragraaf is gebruik gemaakt van het boek van J.D. van der Ploeg; 'Gedragsproblemen; ontwikkelingen en risico's'. Van hem komt ook de volgende definitie van probleemgedrag. Deze is voor de lichtere vormen van probleemgedrag goed te hanteren.

Definitie probleemgedrag

We spreken van probleemgedrag als ouders, leerkrachten en andere personen dit gedrag beschouwen als strijdig met de door hen en de samenleving gehanteerde normen en regels en/of wanneer deskundigen dit gedrag als problematisch beoordelen op basis van valide kenmerken inzake psychisch (on)gezond gedrag.

In het eerste deel van deze omschrijving wordt probleemgedrag gerelateerd aan de normen en waarden, terwijl in het tweede deel wordt verwezen naar de feitelijke en inhoudelijke kennis met betrekking tot probleemgedrag.

Geïnternaliseerd en geëxternaliseerd probleemgedrag

De gedragingen die we als probleemgedrag zien, kunnen in twee hoofdgroepen onderscheiden worden:
1. Geïnternaliseerd probleemgedrag: naar binnen gericht, in de psyche 
2. Geëxternaliseerd probleemgedrag: naar buiten gericht, conflicten met de omgeving

Geïnternaliseerde problemen hebben te maken met gedrag als teruggetrokken gedrag, angstig/depressief gedrag en lichamelijke problemen. Voor deze problemen is geen duidelijke medische oorzaak gevonden. Geëxternaliseerd gedrag heeft te maken met gedrag als ongehoorzaamheid, hyperactiviteit en agressief gedrag. Meisjes met probleemgedrag vertonen meestal naar binnen gekeerd gedrag en jongens naar buiten gekeerd gedrag. Dit verschil tussen jongens en meisjes valt al op in het derde jaar. Bij geïnternaliseerde problemen is meestal sprake van cognitieve problemen, regressieve problemen (terugvallen in een eerder ontwikkelingsstadium) angst en isolement. Bij geëxternaliseerde problemen is meestal sprake van conflicten met de ouders, vechten met andere kinderen (plagen en dergelijke) en predelinquent gedrag (nog net niet strafbaar gedrag).

Geeëxternaliseerd gedrag neemt in de loop van de jaren toe. Geïnternaliseerd gedrag neemt af. Predelinquent gedrag kan het beste aangepakt worden vanaf 10 jaar. Alle andere problemen kunnen het beste vóór het 6e jaar aangepakt worden.

Vragen 

Je hebt net informatie gelezen over gedrag. Onderstaand staan een aantal vragen die je kunt maken. De antwoorden worden later gegeven, zodat je ze zelf na kunt kijken.

1. Welke van de onderstaande stellingen zijn juist?
Stelling 1: In de ontwikkelingspsychologie wordt gedrag uit elkaar gehaald in vier aspecten. 
Stelling 2: De aspecten zijn van elkaar te onderscheiden en te scheiden.

a. Stelling is juist, stelling 2 is niet juist.
b. Beide stellingen zijn juist.
c. Stelling 1 is niet juist, stelling 2 is juist.
d. Beide stellingen zijn onjuist.

2. Welke uitspraak over gedrag is juist?
a. Gedrag is alles wat mensen doen.
b. Bij kinderen die problemen hebben, zie je dat vaak aan hun afwijkende gedrag.
c. De ontwikkelingspsychologische aspecten van gedrag zijn duidelijk van elkaar te scheiden.
d. De interventies van de pedagogisch medewerker in het gedrag van kinderen zijn vooral gericht op de motorische aspecten.

3. Welke van de onderstaande stellingen zijn juist?
Stelling 1: Geëxternaliseerd probleemgedrag komt steeds minder vaak voor.
Stelling 2: Geïnternaliseerd probleemgedrag komt steeds vaker voor.

a. Stelling 1 is juist, stelling 2 is niet juist.
b. Beide stellingen zijn juist.
c. Stelling 1 is niet juist, stelling 2 is juist.
d. Beide stellingen zijn onjuist.

4. Wat is GEEN gedragsprobleem?
a. Angstig gedrag.
b. Agressief gedrag.
c. Anti sociaal gedrag.
d. Teruggetrokken gedrag.

Antwoorden

1. D

2. B

3. D

4. C

 

 

 

Ben je na het volgen van de proefles enthousiast geworden?

Je kunt elke dag starten met de opleiding MBO Gespecialiseerd pedagogisch medewerker, dus zet vandaag nog de eerste stap!

Daarom FlexibelStuderen®:

  1. Erkende opleidingen, bekende naam
  2. Studeren met veel persoonlijk contact
  3. Voordelig studeren, transparant over kosten
  4. Studeren op jouw moment en jouw manier
  5. Overal studeren met onze online leeromgeving
  6. Persoonlijke begeleiding door mentoren en ervaren docenten
  7. Werkgevers zijn snel overtuigd
1 / 10