Proefles: MBO Onderwijsassistent

Met deze proefles krijg je een indruk van de mbo-opleiding Onderwijsassistent van het NTI.
Je krijgt inzicht in de lesstof. Mocht je vragen hebben, neem dan gerust contact met ons op.
Heel veel succes en plezier met de proefles.

Voorlezen, verhalen vertellen en boeken lezen


Inleiding

Kinderen genieten van voorlezen, verhalen vertellen en boeken lezen. Niet alleen vanwege het verhaal, maar ook om de aandacht die ze krijgen en de warme sfeer die erdoor ontstaat. Voor hun taalontwikkeling is het daarbij erg belangrijk, boeken zijn een goede en leuke manier om met taal bezig te zijn.

In dit thema gaan we eerst in op voorlezen en verhalen vertellen, daarna besteden we aandacht aan het lezen van boeken. Tenslotte geven we nog verwerkingsopdrachten bij boeken.

In dit thema komen aan de orde:

  • Voorlezen en verhalen vertellen
  • Boeken lezen
  • Verwerkingsopdrachten bij boeken 

Voorlezen en verhalen vertellen

Het is duidelijk te merken als kinderen veel voorgelezen worden en verhalen horen. Zij hebben een grotere woordenschat dan kinderen bij wie dat niet gebeurt en kunnen meer geordend nadenken. Zij kunnen hun gevoelens en gedachten beter onder woorden brengen en hun fantasie is beter ontwikkeld. 

Voorlezen en verhalen vertellen is leuk, zowel voor de kinderen als voor degene die het doet. Het geeft een prettige sfeer, kinderen voelen zich geborgen en zijn betrokken op elkaar.  Je kunt verhalen uit boekjes vertellen, maar als je zonder boek een verhaal vertelt, heb je meer mogelijkheden.

Mogelijkheden verhalen vertellen zonder boek

  • samen met de kinderen een verhaal verzinnen;
  • beter op hun reacties letten en daarop reageren;
  • het verhaal beter met lichaamstaal ondersteunen;
  • van plaats veranderen terwijl je vertelt;
  • er eventueel voorwerpen bij gebruiken: verkleedkleren, het meubilair, enzovoort. 

Je kunt peuters en kleuters verhalen vertellen, of voorlezen, maar ook oudere kinderen vinden het leuk om voorgelezen te woorden. Vooral een spannend vervolgverhaal kan de aandacht wel vasthouden.

Je kunt een verhaal dus op meerdere manieren vertellen. Je kiest de manier die het beste bij jou past. Als jij je vertrouwd voelt bij het verhaal en de manier waarop je dat doet, zal dat ook zo op de kinderen overkomen. Verhalen vertellen, leer je door het vaak te doen, goed te evalueren en verschillende manieren uit te proberen.

Als je voorleest uit een boek, lees dan het boek eerst goed zelf. Anders ben je teveel gericht op de tekst en houd je de groep niet in de gaten. Als je een verhaal zelf verzint en verder met de kinderen wilt ontwikkelen, bedenk dan alleen de start en in grote lijnen verschil lende mogelijkheden voor het vervolg. Afhankelijk van de stemming van de kinderen en hun inbreng, kun je het verhaal dan aanpassen tijdens het vertellen.

Als je zelf een verhaal vertelt, zitten de kinderen in een kring om je heen. Jij kunt hen dan goed zien en zij jou. Als je een prentenboek voorleest, kun je ervoor kiezen om de kinderen naast je te zetten of vóór je. Zit je vóór hen, dan zul je het boek zo moeten houden dat de groep het goed kan zien. Oudere kinderen zitten doorgaans naast je. Aan hen lees je geen boeken voor waar zij in kijken.

De uitvoering
Elk verhaal heeft een aanloop, een midden en een afbouw. In de aanloop geef je de belangrijkste aanzet voor het verhaal: waar gaat het over, wie spelen er in mee, wat is de sfeer van het verhaal (spannend, leuk, gezellig). In het midden is het verhaal in volle gang en vinden de belangrijkste gebeurtenissen plaats. In dit deel raken de kinderen er helemaal bij betrokken, leven mee, geven hun mening of uiten emoties. Bij de afbouw hoort de ontknoping van het verhaal, het wegebben van de spanning en de voltooiing van de bijeenkomst. Fasen uitvoering verhaal vertellen:

  • aanloop
  • midden
  • afbouw 

De aanloop van het verhaal
Bij de start van het verhaal wacht je tot alle kinderen rustig zitten en je de volle aandacht hebt. Dan vertel je heel kort waar het verhaal over gaat en de belangrijkste namen van de hoofdpersonen.

"Vandaag vertel ik jullie een verhaal over Oezi, het varkentje. Oezi woont op een boerderij samen met zijn moeder en nog veel meer varkens. Let op wat er op een dag gebeurde…"

Je kunt bij de introductie ook inhaken op hun voorkennis of gebruik maken van voorbeelden.

  • Wie weet wat een varkentje is? Welk geluid maakt het? Waar woont het?
  • Zien jullie dit dier? Weten jullie wat voor dier dit is?
  • Weten jullie nog dat we in de speeltuin waren? 

Je kunt ook een poppenkastpop, een andere pop of een ander speelgoeddier het verhaal laten vertellen. Je neemt die dan bij je en richt de aandacht van de kinderen op de pop. 

 

"Kijk jongens, vandaag gaat de liefste pop van de klas jullie een verhaal vertellen. Lolita is naar de markt geweest en ze heeft daar allemaal leuke en lekkere dingen gekocht…". Ook een grote losse plaat, een kijkdoos of muziek kun je gebruiken als introductie van je verhaal. Belangrijke punten bij de aanloop:

  • beginnen als de kinderen rustig zijn
  • hoofdpersonen vermelden en de situatie kort weergeven
  • gebruik de voorkennis van de kinderen in de voorbeelden 

Het midden van het verhaal
Zit je midden in je verhaal, dan zijn weer andere dingen belangrijk, zoals de manier waarop je vertelt. Belangrijk bij het vertellen is:

  • het tempo waarin je vertelt
  • de pauzes die je laat vallen
  • de manier waarop je inspeelt op wat de kinderen zeggen
  • de toon waarop je praat
  • jouw volume
  • de woorden die je gebruikt
  • geluiden die je erbij gebruikt
  • lichaamstaal

Een verhaal vertel je in principe op een rustige toon. Je laat pauzes vallen na de momenten dat er iets belangrijks gezegd is en om de kinderen te laten reageren. Je laat de kinderen uitpraten, maar niet te lang. Je houdt zelf de regie over het verhaal, anders verwatert het en wordt het minder boeiend voor andere kinderen. Je versnelt of vertraagt het tempo als het verhaal hierom vraagt. Je drukt in gebaren en met gezichtsuitdrukkingen uit wat er gebeurt of gezegd wordt. Je praat op een toon die bij het verhaal past. 

Een verhaal over konijntjes in de duinen zal anders klinken dan een verhaal over de boze heks die door donkere bossen waart. Je gebruikt woorden die de kinderen kennen, of je legt ze uit. 
"De deur van het hok van Oezi stond open. En Oezi ging er vandoor. Echt waar!! Hij holde over het grasveld. Ineens stond hij midden op de grote weg. Roetsj, roetsj, roetsj, roetsj. Een heleboel auto’s roetsjten voorbij. Oezi schrok zich rot. Hij sprong omhoog……. En opzij…….En weer omhoog. En toen draaide hij nog een keer in het rond."

De afbouw van het verhaal
Nadert het verhaal zijn einde, dan verandert vaak ook de toon van je stem en het tempo. Waren deze eerst opgezweept door de spanning in het verhaal, dan zal het tempo nu dalen en je toon rustiger worden. 
"Gelukkig werd Oezi níet door de auto’s geraakt. Hij holde weer terug over het grasveld."

Aan de kinderen kun je zien of je verhaal echt afgelopen is. Hebben zij nog veel opmerkingen, aanvullingen of ideeën, dan zul je nog even door moeten gaan. Je kunt het einde dan ook samen bedenken. Is het verhaal echt afgelopen, dan blijven sommige kinderen soms nog zitten. Andere staan meteen op en gaan spelen. Zorg in ieder geval dat je ze duidelijk zegt wanneer het verhaal in jouw ogen afgelopen is.

"Oezi was blij dat hij weer terug in zijn eigen hok was. Hij ging in het stro liggen en viel onmiddellijk in slaap……. Zijn jullie nu ook een beetje slaperig? ……Dan zingen we nu samen het liedje over de boerderij..… We beginnen met het varkentje op de boerderij en welk geluid hoort daarbij?"

Als kinderen geboeid raken en het verhaal is spannend, kan voorlezen of een verhaal vertellen erg opwindend zijn. Je moet er dan aan denken dat de kinderen de gelegenheid krijgen het verhaal rustig af te bouwen en te verwerken. Na het verhaaltje kun je ze laten vertellen, wat ze leuk, zielig, mooi, stout of spannend vonden. Je kunt ze laten praten over de hoofdpersonen: wat ze deden, hoe ze dat vonden, enzovoort.

  • Je kunt kinderen naar aanleiding van een verhaal ook tekeningen laten maken, muziek met ze maken, gaan dansen of verkleden, woordjes stempelen.
  • Je hebt een verhaal verteld over de stenen reiger in de tuin van je oma die tot leven kwam en alle kikkers in de buurt probeerde op te eten. Naar aanleiding daarvan kun je een tikspelletje doen, waarbij de tikker de reiger is en de andere kinderen kikkers. 
  • Je hebt verteld over de prinses die haar familie en al het personeel in het paleis liet dansen op de muziek die ze mooi vond. Je kunt de kinderen zich na dit verhaal laten verkleden en op muziek laten dansen als in het verhaal. 

Boeken lezen
Als kinderen al op jonge leeftijd vertrouwd raken met boeken en ervaren dat lezen leuk is, hebben ze later minder moeite met leren. In kinderboeken vind je de normen en waarden terug van een bepaalde periode of van een bepaalde cultuur. Boeken hebben in die zin dus ook een opvoedkundige waarde. Alle functies die verhalen hebben voor de ontwikkeling van kinderen, zijn ook bij het lezen van boeken aan de orde. In de vorige paragraaf zijn deze genoemd.  Kinderboeken hebben niet altijd bestaan. In de tijd dat kinderen nog niet beschouwd werden als een aparte groepering in de samenleving, waren er ook geen boeken voor hen. Pas aan het einde van de achttiende eeuw komen er voor het eerst kinderboeken. De inhoud, sfeer en het karakter van de boeken zijn in de loop van de eeuwen gewijzigd.

Tegenwoordig is er veel aandacht voor het kinderboek. Het staat ook elk jaar, sinds 1954, centraal in de Kinderboekenweek. Tien dagen lang feest rondom kinderboeken, voor kinderen tot en met 12 jaar. Veel scholen, bibliotheken en boekhandels nodigen dan een schrijver of organisator uit. De stichting CPNB is de organisator van deze kinderboekentiendaagse. Elk jaar bedenkt ze een thema.

De inhoud van kinderboeken door de eeuwen heen:

  • 1800 tot 1900: moraliserend (gericht op de deugden en plichten van kinderen);
  • 1900 tot 1960: vrolijk en onbezorgd (kinderen vooral niet zwaar belasten);
  • 1960 tot 1980: kritiek op de maatschappij (man/vrouw verhoudingen, arm/rijk, andere normen en waarden), stripboeken zijn in;
  • 1980 tot 1990: boeken sluiten aan bij de belevingswereld van het kind;
  • 1990 tot nu: ook verdrietige zaken en maatschappelijke onderwerpen krijgen aandacht, kinderen zijn erg geïnteresseerd in stripboeken en animatiefiguurtjes. 

Er zijn verschillende soorten boeken: prentenboeken, leesboeken en stripboeken. En er zijn boeken voor verschillende leeftijden. Een kind kiest een boek omdat het qua onderwerp en vormgeving leuk lijkt en omdat het op een manier geschreven is die aanspreekt. Ouders of leerkrachten kiezen op dezelfde wijze een boek uit voor de kinderen. Zij letten er echter ook nog op of zij het onderwerp en taalgebruik goed vinden voor de kinderen en of het boek op een positieve manier bijdraagt aan de ontwikkeling. Het is soms moeilijk aan te geven of een kind al ‘toe is’ aan een bepaald boek. Daarom staan prentenboeken voor verschillende leeftijdsgroepen ook vaak door elkaar. De kinderen kunnen dan zelf kiezen wat zij leuk vinden. De onderstaande selecties per leeftijdsgroep zijn daarom alleen een richtlijn, in de praktijk zullen jij en de kinderen er regelmatig van afwijken.

Baby’s
Voor baby’s zijn boeken alleen nog speelgoed: goed om in de mond te steken en er lekker op te sabbelen. De boekjes zijn daarom ook van plastic of geplastificeerd. Op deze manier kunnen zij sabbelen en kijken naar de plaatjes combineren. Zij maken zo al kennis met boeken.
Er zijn ook boekjes met rijmpjes en wiegeliedjes en andere liedjes die geschikt zijn, om door ouders bij baby’s vanaf ongeveer zes maanden te gebruiken. Spelenderwijs leert een baby de betekenissen van beide soorten boekjes kennen.

Bij het selecteren van boekjes voor baby’s, let je op

  • de stevigheid en duurzaamheid;
  • veiligheid: niet scherp, gifvrij;
  • eenvoud van vormgeving: één afbeelding per pagina, geen details;
  • herkenbaarheid van de afbeeldingen. 

Voorbeelden zijn: Allerlei plastic, katoenen of houten uitklapboekjes, De Dick Bruna boekjes, Boekjes van Helen Oxenbury.

Oudere baby’s en dreumesen
Oudere baby’s en dreumesen verkennen de directe wereld om hen heen. Herkenbaarheid is in boekjes voor deze leeftijd heel belangrijk. Deze kinderen zijn meer gericht op andere kinderen dan baby’s. Rijmpjes, gedichtjes en liedjes slaan bij deze leeftijdsgroep erg aan, net als prentenboeken. Het kind vindt het in eerste instantie nog niet belangrijk of zij aan het begin van een boek beginnen of aan het einde. De platen en het bladeren op zich boeien nog het meest. Op deze leeftijd wijzen de kinderen graag dingen aan. Voorlezen betekent daarom ook meer dat je praat met het kind over de afbeelding, vragen stelt en ingaat op wat het ziet. De boekjes moeten een eenvoudig verhaal bevatten. Er staan weinig woorden op een bladzijde. De verhalen zijn niet te lang.

Bij het selecteren van boekjes voor oudere baby’s en dreumesen, let je op

  • de stevigheid en duurzaamheid;
  • veiligheid: niet scherp, gifvrij;
  • herkenbaarheid van de afbeeldingen;
  • niet teveel afbeeldingen op één pagina;
  • of het kind het boek zelf goed kan hanteren;
  • of het boekje uitdaagt om er met een kind over te praten.

Voorbeelden zijn: 50 Liedjes voor baby’s en peuters van Annie Langenaar, Dikkie Dik, Een koetje en een kalfje van Marie-Cécile Pulles, Dribbelboekjes.

Peuters
Peuters ‘lezen’ al zelf boeken. De boeken zijn stevig van uitvoering zodat zij hun enthousiasme kunnen weerstaan. Ze luisteren graag en aandachtig als er voorgelezen wordt. Kleurrijke prentenboeken spreken de kinderen aan en boeken die over de dagelijkse dingen gaan. Dieren en kinderen spelen er meestal de hoofdrol in. Ook zijn er veel boekjes die inspelen op de emotionele ontwikkeling van kinderen: op hun fantasie en angsten. Voor peuters kan de uitvoering van boeken al drukker zijn: meer tekst en meer tekeningen op een bladzijde.

Bij het selecteren van boekjes voor peuters, let je op

  • de aansluiting bij hun belevingswereld en niveau (denk ook aan kinderen met een andere culturele achtergrond);
  • duurzaamheid;
  • aantrekkelijkheid qua inhoud en vormgeving;
  • of het boek uitnodigt voor een gesprek.

Voorbeelden zijn: Liedjes en muzikale spelletjes voor baby’s en dreumesen van Herma Hopster en Marjanka van Maurik. De boekjes van Eric Carle (Rupsje Nooitgenoeg), Marcus Pfister (De mooiste vis van de zee) en Martin Waddell (Welterusten… kleine beer), Max Velthuis (Kikker in de kou).

Kleuters
De wereld van kleuters is breder dan die van peuters. Zij hebben net als peuters een grote fantasie. De inhoud van de boekjes gaat niet alleen over de dagelijkse dingen, maar ook over fantasiewerelden. Sprookjes beantwoorden goed aan de fantasiewereld van kleuters. In sprookjes gaat het meestal over goed en kwaad, groot en klein, sterk en zwak, lief en stout.

Door de karakters zo ongenuanceerd neer te zetten, kunnen kinderen zich goed met de sprookjesfiguren identificeren. Er gebeuren allerlei onmogelijke dingen in sprookjes. Zij leren er hun angsten door overwinnen. Tenminste, als de held in het verhaal wint. Ook voor hen zijn prentenboeken nog heel belangrijk. De tekeningen kunnen al wat abstracter zijn. Bij het selecteren van boekjes voor kleuters, let je op

  • alle punten die voor peuters ook belangrijk zijn;
  • de bredere belevingswereld van kleuters (ook interculturele aspecten);
  • de mogelijkheid om hun fantasie te gebruiken en te beleven;
  • hun plezier in sprookjes.

Voorbeelden zijn: A.M.G. Schmidt: Jip en Janneke. Het Bereboek van Etienne Bruneel en Detty Verreydt (meertalig). An Kesseler-van der Klauw: De feesten van het jaar. A.A. Milne: 365 dagen met Winnie de Poeh. In het boek ‘Vijftig wereldboeken voor peuters en kleuters’ worden interculturele peuteren kleuterboeken besproken met voorleessuggesties, liedjes, een gedichtje, taalactiviteiten en spelen werkactiviteiten.

Eerste lezers
Tussen zes en zeven jaar gaan de meeste kinderen zelf lezen. Ze moeten aan bepaalde voorwaarden voldoen om dat te kunnen. Voorwaarden om te starten met lezen:

  • inzicht hebben in structuren
  • klankbeeld en schriftbeeld kunnen koppelen
  • concentratie kunnen opbrengen
  • taalvaardig zijn
  • ervaring hebben met boeken
    Voor aanvankelijk lezen bestaan veel series. Daarnaast blijven kinderen van deze leeftijd het leuk vinden om voorgelezen te worden. Veel kinderen vinden dat de hele basisschooltijd nog leuk.

Het is een hele kunst om boekjes voor beginnende lezers te schrijven. In korte zinnen en met eenvoudige woorden moet toch een boeiend verhaal worden verteld. De laatste jaren zijn er steeds meer aantrekkelijke boekjes met prachtige vondsten voor beginnende lezers op de markt gekomen. Ze zijn al lang niet meer veroordeeld tot ‘de mus vist met de pen’. Boekjes voor beginnende lezers

  • boekjes met picto’s om moeilijke woorden te omzeilen;
  • boekjes met spreekwolkjes om frases als ‘antwoordt hij’ te vervangen;
  • samenleesboeken waarbij de beginnende lezer alleen de vetgedrukte (eenvoudige) woorden leest en de begeleider de rest van de tekst. Soms staat de tekst voor de beginnende lezer op de linkerpagina en die voor de gevorderde lezer op de rechter;
  • boeken die beginnen met een kennismakingsplaat waarop alle personen uit het verhaal te zien zijn;
  • boeken met de tekst van een verhaal op één pagina en een plaat op de andere: voor de wat zwakkere beginnende lezers vaak heel overzichtelijk;
  • de wat meer literaire boekjes waar vlotte lezers van zullen smullen;
  • boekjes over huistuinen keukenonderwerpen die de wat zwakkere lezers voldoende voorspelbaardheid bieden. 
    Series voor beginnende lezers zijn: Maan-roos-vis, Lezen is leuk, Leren lezen met Carry Slee, Dit lees ik, Klavertje 1, Sst, ik lees, Lees en weet… en nog veel meer. Het is leuk om kinderen van elk door hen gelezen boek een bladzijde te laten maken in een verzamelboek, zodat ze aan het eind van het jaar kunnen zien wat ze allemaal gelezen hebben. Ook kunnen kinderen in de klas in de kring vertellen over een boek. 

Oudere kinderen en tieners
Oudere kinderen en tieners kiezen in principe hun eigen boeken. Op school kun je zorgen dat je een collectie goede kinderboeken hebt. Daarnaast zijn er ook mogelijkheden om bij de bibliotheek een grote collectie boeken te lenen en die na een bepaalde periode te ruilen. Een bezoek aan de bibliotheek met een klas wordt ook vaak gedaan. 

In de speciale kinderboekwinkels kan men je goed voorlichten over goede kinderboeken. Er zijn bovendien veel websites die informatie verstrekken over kinderboeken en recensies geven.
Lang niet alle kinderen en tieners houden van boeken lezen en hun interesse is zeer divers. Als de kinderen geïnteresseerd raken in een boek, kun je er met ze over praten: wat vonden ze van het boek, waarom vonden ze het goed of slecht of je vraagt ze het verhaal te vertellen. Ze worden zo gestimuleerd om te formuleren, wat goed is voor hun taalontwikkeling. Oudere kinderen houden er ook nog van om voorgelezen te worden. Vooral een spannend vervolgverhaal vinden zij leuk. Lange tijd is gedacht dat stripboeken slecht zouden zijn voor de taalontwikkeling van kinderen. Ze zouden bovendien hun fantasie doden en de zin in lezen verminderen. Tegenwoordig denkt men positiever over strips: kinderen doen er kennis in op en hun fantasie wordt ontwikkeld. Er zijn veel verschillenden soorten stripverhalen: science-fiction, misdaadverhalen of verhalen rondom bepaalde helden (Suske en Wiske, Spider-man, Kuifje, enzovoort) 

Je kunt de boeken voor kinderen van zes tot twaalf jaar en tieners indelen, in:

  • prentenboeken;
  • stripboeken;
  • informatieve boeken;
  • avonturenromans;
  • leesboeken die de belevingswereld van de kinderen tot onderwerp hebben;
  • sprookjesboeken;
  • gedichtenbundels. 

 

Bij de selectie van boeken voor kinderen van zes tot vijftien jaar, let je op

  • de aansluiting op de leeftijd en belevingswereld;
  • de voorkeuren van de kinderen;
  • dat je verschillende soorten boeken hebt;
  • dat je boeken over verschillende onderwerpen hebt.

Voorbeelden zijn: De Anansi verhalen uit Suriname, boeken van Jacques Vriens (Meester Jaap), Carry Slee (over kinderen tienerproblemen, bijvoorbeeld de ‘Timboetoe-reeks’) Selma Noort (ook thema’s als kerst en winter, over Sil, Geerten en Mare), H. Vandermeeren (de ‘later word ik..serie), Claude Clement (De schilder en de witte zwanen), Paul Biegel (De kleine kapitein). In het boek Vijftig wereldboeken van Moniek Sanders en Colette Mathijsen worden vijftig interculturele boeken voor tieners vanaf 12 tot 16 jaar besproken.

Verwerkingsopdrachten bij boeken

Hieronder geven we een aantal voorbeelden van verwerkingsopdrachten bij boeken, waarbij we verwijzen naar internetsites waarop nog meer opdrachten te vinden zijn.
1. We nemen het boek ‘Over een kleine mol die wil weten wie er op zijn kop gepoept heeft’ van Werner Holzwarth & Wolf Erlbruch. Het is een prentenboek voor kinderen van 4 tot 6 jaar.

  • In groepjes een collage maken van alle dieren die in het boek voorkomen.
  • Een kringgesprek over de mol. Je kunt de kinderen de volgende vragen stellen:
    - Wie weet wat een mol is?
    - Wie weet waar een mol woont?
    - Wat eet een mol?
    - Wat is een molshoop?
    - Welke kleur heeft een mol?

 

 

  • Maak een drol van klei of van brooddeeg!
  • Je kunt woordspelletjes doen met woordjes uit het verhaal:
    - een rijmoefening: Wat rijmt op mol-paard-duif-koe-vlieg-hond-drol-hok-duif-geit?
    - woordenschatuitbreiding.: Welke dieren zijn er nog meer op de boerderij? Welke dieren zie je wel in de dierentuin maar niet op de boerderij? Hoe heet een mannetjeskoe, een babykoe, enzovoort?
    - aanvankelijk lezen: Welk woord begint met dezelfde letter als mol/de m? Bedenk zoveel mogelijk woorden.

2 Verwerkingsopdracht bij ‘Matilda’ van Roald Dahl. Geschikt voor de bovenbouw van de basisschool.

  • Groepswerk: grote ‘kijkdoos’ waarin een ruimte uit Matilda wordt nagemaakt.
  • Maak kopieën van allerlei illustraties uit het boek. Knip deze door midden in de lengte en plak ze op een vel tekenpapier. Laat de kinderen de tekening weer compleet maken met kleurpotlood.
  • Ontwerp een boekenkaft bij het boek.
  • Bedenk een ander einde voor het boek.
  • Laat situaties naspelen in groepjes.
  • Laat personen uit het boek zichzelf voorstellen aan de klas (mondeling of schriftelijk).
  • Beschrijf het karakter van Matilda, haar vader, moeder, juf Engel, Bulstronk. Zoek in tijdschriften plaatjes van mensen die je daarbij vindt passen.

3 Kringgesprek: boekpresentatie (vanaf circa groep 4).

  • De leerlingen lezen een boek van de schrijver en presenteren het aan de rest van de klas. Ze laten het boek zien, vertellen iets over de belangrijkste personen en over het verhaal, zonder de clou te verklappen natuurlijk! Ook kunnen ze een kort fragment voorlezen. Bovendien vertellen ze wat ze van het boek vonden: spannend, saai, vrolijk of verdrietig? Is het boek een aanrader voor de rest van de klas?
  • Na afloop kunnen de andere kinderen vragen stellen. Leerlingen die het boek al kennen, vertellen wat zij van het boek vonden. Kinderen hebben vaak veel vragen over boeken. Bijvoorbeeld:
    - Waarom doet de hoofdpersoon zo vervelend tegen haar vrienden?
    - Schrijft de auteur altijd over dieren?
    - Waarom zijn de hoofdpersonen bij die schrijver altijd enigs kind?
    - Is de schrijver getrouwd
    - Hoe oud is hij?
    - Hoeveel boeken heeft hij geschreven?
  • Stimuleer de kinderen om vragen te bedenken over de boeken of de schrijver. Bespreek ze daarna met elkaar. Degene die de presentatie houdt, moet zich goed voorbereiden en van alles opzoeken over het boek en de schrijver. 

4 Maak een gedichtje (een elfje) bij een boek (vanaf groep 5).

  • Een elfje is een gedicht met elf woorden, bijvoorbeeld:
    geel
    de ogen
    in het donker
    zijn het misschien kattenogen
    miauw
  • Hoe maak je een elfje?
    Stap 1: Neem een ding, dier of mens in je hoofd waarover dit gedicht zal gaan. Kies iets wat erbij past en schrijf dit in 1 woord op. Bijvoorbeeld de kleur, het karakter, de geur, de smaak.
    Stap 2: Wie of wat heeft de kleur, de geur, de smaak of het karakter? Schrijf dit in 2 woorden op.
    Stap 3: Waar is het ding, dier of mens? Het antwoord hierop mag 3 woorden zijn.
    Stap 4: Wat doe je ermee? Het antwoord hierop mag 4 woorden zijn.
    Stap 5: Wat zegt het? Welk geluid maakt het? Wat doet het? Het antwoord hierop mag 1 woord zijn.

 

Ben je na het volgen van de proefles enthousiast geworden?

Je kunt elke dag starten met de mbo-opleiding Onderwijsassistent dus zet vandaag nog de eerste stap!

8 redenen om bij het NTI te studeren

  1. Erkende opleidingen, gewaardeerd in het bedrijfsleven
  2. Prettige en deskundige begeleiding door ervaren docenten
  3. Voordelig lesgeld
  4. Flexibel studeren
  5. Studeren met veel persoonlijk contact
  6. Modern studeren via onze online leeromgeving
  7. Persoonlijke studiebegeleiding van een mentor
  8. Studeren op kosten van de werkgever en/of de fiscus
1 / 17