Praktijkdiploma loonadministratie (PDL®)

Proefles: Praktijkdiploma loonadministratie (PDL®)

Leuk dat je een proefles hebt aangevraagd! Tijdens deze proefles krijg je een indruk van de opleiding Praktijkdiploma loonadministratie (PDL®). Ook krijg je een aantal vragen over de stof. Verderop in de proefles kun je je vragen nakijken. Mocht je vragen hebben, neem dan gerust contact met ons op. Succes en veel plezier met je proefles!


Tijdens Praktijkdiploma loonadministratie (PDL®) leer en werk je onder andere uit het boek Praktijkdiploma Loonadministratie - Loonheffingen Theorieboek. In deze proefles neem je een kijkje in de theorie uit dit boek. Over de theorie uit hoofdstuk 3 De loonheffingen beantwoord je een aantal vragen, die je verderop in deze proefles kunt nakijken.

Praktijkdiploma Loonadministratie - Loonheffingen Theorieboek

PDL Loonheffingen theorieboek


Inleiding

Voorbelasting

Over inkomen uit arbeid of inkomen in verband met arbeid moeten in Nederland inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen worden afgedragen. Zodra er sprake is van een dienstbetrekking of een uitkeringssituatie, worden hierop loonbelasting en premie volksverzekeringen ingehouden. Deze inhouding dient als voorheffing op de af te dragen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen. In een groot aantal gevallen is de inhouding van deze zogenoemde loonheffing tevens eindheffing. Dit houdt in dat er vervolgens geen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen meer hoeven te worden afgedragen door de belastingplichtige.

Aanslag inkomstenbelasting
Er kunnen zich echter situaties voordoen, waarin er teveel of te weinig loonheffing wordt ingehouden op het loon van de werknemer. Dit leidt dan na afloop van het kalenderjaar tot een nabetaling of een terugontvangst via een aanslag inkomstenbelasting. Hierbij bestaat echter de mogelijkheid om al eerder af te rekenen met de Belastingdienst via een zogenaamde voorlopige aanslag inkomstenbelasting.

Voorbeeld
Wim heeft naast zijn dienstverband bij Proper bv nog aanvullende inkomsten, omdat hij 's avonds klusjes bij particulieren verricht. We noemen dit wel 'overige inkomsten uit  arbeid'. Op jaarbasis gaat het om zo'n € 4.000. Wim kan het beste een voorlopige  aanslag inkomstenbelasting vragen. Daarmee voorkomt hij dat hij na afloop van het jaar alsnog inkomstenbelasting moet afdragen. Naast de op zijn loon ingehouden loonheffing betaalt hij dan rechtstreeks inkomstenbelasting aan de fiscus. Hierbij heeft hij de keus om dit in februari in één termijn te betalen (met korting) of in maandelijkse termijnen tot en met december van het kalenderjaar.

Voorbeeld
Annette is ook in dienstbetrekking bij Proper bv. Zij woont in een eigen woning waarvoor ze een hypothecaire lening heeft afgesloten. Elke maand moet ze zo'n € 700 hypotheekrente betalen. Annette kan het beste een voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting vragen. Daarmee voorkomt zij dat zij pas na afloop van het jaar inkomstenbelasting terugkrijgt. Via de voorlopige teruggaaf ontvangt ze elke maand zo'n € 300 terug van de fiscus, die ze goed kan gebruiken als bijdrage in de hypotheeklasten.

Het formulier waarmee Wim en Annette de voorlopige aanslag respectievelijk voorlopige teruggaaf kunnen aanvragen, heet 'Verzoek of wijziging voorlopige aanslag'. De aanvraag kan digitaal (met DigiD via Mijn Belastingdienst) of op papier plaatsvinden. Als er sprake is van winst uit onderneming, is een aanvraag op papier niet mogelijk. Deze aanvraag kan worden ingediend vanaf het eind van het vorige kalenderjaar. Mocht de situatie wijzigen, dan kan dit op dezelfde manier aan de Belastingdienst worden doorgegeven.
Voor een volgend kalenderjaar berekent de Belastingdienst zelf of iemand in aanmerking komt voor een voorlopige aanslag of een voorlopige teruggaaf. Een aanvraag is hiervoor niet nodig.

In het voorbeeld van Annette zagen we dat er een voorlopige teruggaaf mogelijk is voor de rentekosten van een eigen woning. Zo zijn er nog meer posten waarvoor iemand een voorlopige teruggaaf kan vragen:

  • reisaftrek openbaar vervoer, voor zover de werkgever hiervoor geen vergoeding geeft;
  • premies voor lijfrente en andere inkomensvoorzieningen;
  • negatief resultaat uit onderneming of overige werkzaamheden uit arbeid;
  • alimentatie en andere onderhoudsverplichtingen;
  • kwijtschelding van een lening aan een beginnende onderneming;
  • verrekenbare verliezen uit voorafgaande jaren;
  • specifieke zorgkosten;
  • uitgaven voor weekendbezoek van gehandicapten van 21 jaar of ouder;
  • studiekosten en andere scholingsuitgaven;
  • uitgaven voor monumentenpanden;
  • giften;
  • resterende persoonsgebonden aftrek van vorige jaren.

Loonheffingen

Gedurende vele tientallen jaren was de Belastingdienst de aangewezen instantie om loonbelasting en premies volksverzekeringen te innen bij werkgevers en andere inhoudingsplichtigen. UWV was verantwoordelijk voor de inning van de premies werknemersverzekeringen en procentuele premie voor de Ziekenfondswet.

Een aantal jaren geleden is via de Walvis-wetgeving (Wet administratieve lastenverlichting in sociale zekerheid) de volledige inning opgedragen aan de Belastingdienst. Deze is nu verantwoordelijk voor de inning van alle loonheffingen. We onderscheiden hierbij een viertal heffingen:

  • loonbelasting;
  • premies volksverzekeringen;
  • premies werknemersverzekeringen;
  • inkomensafhankelijke bijdrage Zvw (Zorgverzekeringswet).

De twee eerstgenoemde worden loonheffing genoemd, niet te verwarren met het begrip loonheffingen, dat gebruikt wordt om het totaal van de vier belastingen en heffingen aan te duiden.

Wat premieheffing betreft, is UWV nu nog slechts verantwoordelijk voor de inning van premies voor de vrijwillige werknemersverzekeringen. Dit zijn verzekeringen voor degenen die niet onder de verplichte werknemersverzekeringen vallen, omdat ze volgens de wet niet als werknemer worden beschouwd. Zij kunnen zich, onder bepaalde voorwaarden, vrijwillig verzekeren voor de Ziektewet en/ of WGA.

Uniform loonbegrip

Sinds een aantal jaren kennen we het uniform loonbegrip. Op een tweetal uitzonderingen na worden de vier hierboven genoemde heffingen berekend over dezelfde grondslag.

De manier van berekenen van de vier heffingen wijkt echter af. Voor het bepalen van de hoogte van loonbelasting en premies volksverzekeringen wordt gewerkt met tabellen, terwijl voor de premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw de zogenoemde VCR-methode wordt toegepast (voortschrijdend cumulatief rekenen).

De twee resterende verschillen tussen de grondslagen zijn de volgende:

  1. Loon uit vroegere dienstbetrekking, bijvoorbeeld een pensioenuitkering, is wel loon voor de loonbelasting/volksverzekeringen en voor de Zvw, maar niet voor de werknemersverzekeringen.
  2. Eindheffingsloon is wel loon voor de loonbelasting/volksverzekeringen, maar niet voor de Zvw en de werknemersverzekeringen. Bij een naheffingsaanslag kan dit anders zijn.

Het uniform loonbegrip geldt nog niet voor de pensioengrondslag. Zo is bijvoorbeeld de bijtelling voor het privégebruik van een zakelijke auto wel loon voor alle loonheffingen, maar telt niet mee bij de pensioenopbouw.

De Wet financiering sociale verzekeringen

Hoewel de inning van de premies volksverzekeringen al gedurende een lange reeks van jaren gekoppeld is aan de inning van de loonbelasting (en de inkomstenbelasting), is de financiering van de volksverzekeringen niet geregeld in de Wet LB. De financiering van zowel de volksverzekeringen als de werknemersverzekeringen is opgenomen in de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv).

Premiebetaling sociale verzekeringen

Zoals u weet, moeten alle loonheffingen worden afgedragen door de inhoudingsplichtige. Met betrekking tot de verschillende socialeverzekeringspremies moet u het volgende weten:

  • Premies volksverzekeringen. Voor de AKW is geen premie verschuldigd. De premies voor AOW, Anw en Wlz worden samen met de loonbelasting in één bedrag ingehouden op het loon. Loonbelasting en premie volksverzekeringen worden samen 'loonheffing' genoemd. Deze komt dus geheel voor rekening van de werknemer.
  • Premies werknemersverzekeringen. Alle premies komen voor rekening van de inhoudingsplichtige: WW, ZW, WAO en WIA.
  • Inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zvw. De Zvw-bijdrage komt in de meeste gevallen voor rekening van de inhoudingsplichtige, de zogenaamde werkgeversheffing Zvw. Maar bij bepaalde groepen betaalt de werknemer de bijdrage zelf via inhouding op diens loon of uitkering. Dat is het geval bij:
  • de opting in regeling;
  • dga's die niet voor de werknemersverzekeringen verzekerd zijn op grond van de Regeling aanwijzing dga;
  • pensioenuitkeringen.

Voor een werknemer onder de 18 jaar moet gewoon Zvw-bijdrage worden afgedragen via de periodieke loonaangifte aan de Belastingdienst. Alleen is deze nog geen basispremie verschuldigd aan de zorgverzekeraar. Jongeren van deze leeftijd plegen gratis op de polis van hun ouders of verzorgers verzekerd te zijn.

Het komt steeds vaker voor dat werknemers na hun pensionering in dienst blijven of een nieuwe werkgever zoeken. Waarmee moet de werkgever van een AOW-gerechtigde werknemer rekening houden?

  • De verzekeringsplicht voor AOW en werknemersverzekeringen loopt door tot de AOW-leeftijd.
  • De premieafdracht voor AOW en werknemersverzekeringen stopt op de eerste dag van de maand waarin de verzekerde de AOW-leeftijd bereikt;
  • Een werknemer die na het bereiken van de AOW-leeftijd doorwerkt, blijft sinds 2016 verzekerd voor de ZW. Hiervoor zijn geen premies verschuldigd.
  • De werkgeversheffing Zvw moet worden afgedragen zolang de werknemer in dienst is.
  • Loonbelasting en premie volksverzekeringen (behalve AOW ) moeten worden ingehouden volgens de witte tabel. De kolom AOW-leeftijd en ouder wordt gehanteerd vanaf de maand waarin de werknemer 66 jaar en 4 maanden is geworden.

Let op!
Voor sommige werknemersverzekeringen kan de werkgever eigenrisicodrager zijn. In dat geval hoeft hiervoor niet de verplichte premie te worden afgedragen aan de Belastingdienst.

Voorbeeld
Marga Kooistra is in loondienst bij vof De Staart. Wij vragen ons af welke sociale premies voor haar moeten worden afgedragen en of deze voor rekening van de werkgever of de werkneemster komen.

AOW - werkneemster
Anw - werkneemster
Wlz - werkneemster
AKW - geen premie verschuldigd
WW - werkgever
ZW - werkgever
WAO - werkgever
WIA - werkgever
Zvw - werkgever

De werknemersverzekeringen

Verplichte werknemersverzekeringen

De meeste werknemers zijn verplicht verzekerd voor de werknemersverzekeringen. Hierop bestaan enkele uitzonderingen:

  • Niet verplicht verzekerd.
    Dit geldt voor diverse fictieve dienstbetrekkingen: bepaalde aandeelhouders met een aanmerkelijk belang, meewerkende kinderen en pseudowerknemers. En ook voor huispersoneel, vrijwilligers bij politie en brandweer, bepaalde dga's, overheidsbestuurders zoals bijvoorbeeld ministers en raadsleden, werknemers die in het buitenland verzekerd zijn en voor sommige werknemers in het internationaal vervoer.
  • Gemoedsbezwaarden
    Sommige mensen willen vanwege hun levensovertuiging nergens voor verzekerd zijn. Ook niet voor de verplichte volksverzekeringen of werknemersverzekeringen. Zij zijn gemoedsbezwaard en kunnen bij de SVB een ontheffing aanvragen voor de volksverzekeringen, de Zvw en/ of de werknemersverzekeringen. In dat geval wordt hiervoor geen premie afgedragen. Maar er moet eenzelfde bedrag worden betaald als premievervangende belasting.
    Let op! Ook bij een gemoedsbezwaarde werknemer mag de werkgever toch (maximaal) 50% van de gedifferentieerde WGA-premie verhalen op diens nettoloon. Zie paragraaf: Onderdelen WIA-premie.

Welke verplichte werknemersverzekeringen kennen wij? Het zijn er vier:

  • Werkloosheidswet (WW);
  • Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO);
  • Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA);
  • Ziektewet (ZW).

Beoordeling sectoraansluiting

Het risico van werkloosheid verschilt aanzienlijk per bedrijfstak. Vanwege de sterk afwijkende werkloosheidskasten kennen de bedrijfstakken allemaal een verschillend premiepercentage voor het zogenoemde sectorfonds (voorheen: Wgf =Wachtgeldfonds). De Belastingdienst beoordeelt voor elke onderneming bij welke sector deze is aangesloten. Dit gebeurt in ieder geval bij de aanmelding van een startende onderneming op basis van de door de ondernemer geleverde beschrijving van de bedrijfsactiviteiten. Een werkgever is in een kalenderjaar aangesloten bij die sector waarop hij per 1 januari van dat jaar is ingedeeld. Uit de sectorpremie WW wordt onder meer betaald:

  • de WW-uitkering gedurende de eerste 6 maanden van werkloosheid;
  • de WW-uitkering voor werkloosheid wegens onwerkbaar weer.

Volgens voorgenomen wetgeving zullen de sectorfondsen in 2020 worden opgeheven en worden samengevoegd met het Algemeen werkloosheidsfonds (Awf).

Voorbeeld
BouwBag bv is door de Belastingdienst ingedeeld in sector 11. De directeur van BouwBag bv is het niet eens met de indeling door de Belastingdienst. Hij is van mening dat het bedrijf moet worden ingedeeld in sector 10. In die sector gelden namelijk lagere sectorpremies WW en ook lagere gedifferentieerde Whk-premies. BouwBag bv kan bezwaar maken tegen de indeling in sector 11.

Onderdelen WW-premie

De WW-premie bestaat uit twee onderdelen:

  • premie voor het Algemeen werkloosheidsfonds (WW-Awf);
  • sectorpremie, de premie voor het sectorfonds; bij de overheid betreft het de Ufo-premie.

Zoals hiervoor aangegeven, zullen de sectorfondsen volgens voorgenomen wetgeving in 2020 worden samengevoegd met het Algemeen werkloosheidsfonds (Awf).

In sommige sectoren zijn twee verschillende premiepercentages sectorfonds: kort en lang. Dit geldt bijvoorbeeld voor het agrarisch bedrijf, waar de twee sectorpremies fors uiteenlopen. In principe moet een werkgever het hoogste percentage afdragen. Alleen in de volgende situaties geldt het lagere percentage:

  • Bij een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor ten minste een jaar of voor onbepaalde tijd.
  • Bij een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor maximaal 8 weken met een scholier of student. Dit mag ook een student zijn uit een ander EU-land of uit IJsland, Noorwegen, Zwitserland of Liechtenstein.
  • Bij een leer-werkovereenkomst met een mbo-leerling die de beroepspraktijkopleiding van de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) volgt.

In uw naslagwerk staan de administratieve voorwaarden vermeld om de lage sectorpremie WW te mogen toepassen.

Afwijkende regeling bij de overheid
Bij de overheid wordt geen premie sectorfonds betaald, maar een zogenaamde premie Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo-premie). Deze wordt overigens voor de loonheffingen precies eender behandeld.

ZW-premie

De premie ZW-flex is een onderdeel van de (gedifferentieerde) premie Werkhervattingskas, die hieronder aan de orde komt.

WAO-premie

Voor werknemers die op of na 1 januari 2004 arbeidsongeschikt zijn geworden, geldt de WIA. Op degenen die op die datum al arbeidsongeschikt waren, blijft de WAO van toepassing. In de loop der tijd neemt het aantal WAO'ers af. Hierdoor daalt de WAO-premie, terwijl de WlA-premie jaarlijks omhoog gaat.

De WAO-premie bestaat uit een basispremie WAO die samengevoegd is met de basispremie WlA. Deze basispremie bevat een opslagpercentage van 0,5% als werkgeversbijdrage in de kosten van kinderopvang.
Voor 2019 is de totale basispremie inclusief genoemde opslag vastgesteld op 6,96%. Zie de tabel achter in uw naslagwerk.

Onderdelen WIA-premie

De Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WlA) geldt voor werknemers die op of na 1 januari 2004 arbeidsongeschikt zijn geworden. Het beroep op de WlA (en daarmee de hoogte van de premie) zal in de komende jaren toenemen.
De WlA kent twee regelingen:

  • Inkomensvoorziening voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (NA);
  • Uitkering in verband met Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA).

De WlA-premie bestaat uit twee gedeelten:

  • een basispremie WlA (voor NA en WGA), die samengevoegd is met de basispremie WAO, zie de vorige paragraaf;
  • een premiedeel WGA, afhankelijk van de instroom van werknemers van de onderneming in de WGA; deze vormt een onderdeel van de gedifferentieerde premie Whk (Werkhervattingskas).

Premie Werkhervattingskas
De gedifferentieerde premie Werkhervattingskas (Whk) bestaat uit twee delen:

  • WGA (voor vaste en flexibele dienstbetrekkingen);
  • ZW-flex (voor flexibele dienstbetrekkingen).

Een werkgever betaalt de volledige gedifferentieerde Whk-premie. Het is niet zo dat een onderneming met alleen maar vaste dienstverbanden geen premie ZW-flex hoeft te betalen.

(Hierop is een uitzondering voor de zogenaamde eigen risicodrager, zie verderop in dit hoofdstuk).

De gedifferentieerde Whk-premie is verschillend voor kleine, middelgrote en grote ondernemingen. Het onderscheid tussen deze 3 groepen is gebaseerd op de premieloonsom in het verleden (2 jaar geleden). De premiehoogte voor kleine werkgevers staat vermeld in uw naslagwerk. Middelgrote en grote inhoudingsplichtigen krijgen elk jaar van de Belastingdienst een beschikking waarin het gedifferentieerde premiepercentage Whk vermeld wordt.

De hoogte van de gedifferentieerde WGA-premie is afhankelijk:

  • van het aantal werknemers dat in de WGA is 'ingestroomd';
  • van het feit of de onderneming tot de kleine, de middelgrote of de grote werkgevers wordt gerekend, gebaseerd op de premieloonsom.

Grote werkgevers kennen een volledig individuele WGA-premie. Kleine werkgevers hebben een WGA-premie die per sector is vastgesteld. Bij middelgrote werkgevers is het een combinatie van deze twee systemen, waarbij het individuele deel toeneemt naarmate de premieloonsom hoger is.

Voor de IVA geldt geen gedifferentieerde premie.

De inhoudingsplichtige mag 50% van de gedifferentieerde premie WGA inhouden op het nettoloon van de werknemer; dit is niet verplicht.

Korting op werknemersverzekeringen

Premiekortingen vervallen
Tot en met 2017 bestonden de volgende regelingen waarmee korting werd verkregen op de premie voor de werknemersverzekeringen:

  • premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer;
  • premiekorting oudere werknemer;
  • premiekorting jongere werknemer;
  • premievrijstelling marginale arbeid.

Met ingang van 2018 zijn de twee eerstgenoemde premiekortingen vervangen door loonkostenvoordelen. Inhoudingsplichtingen die recht hadden op premiekortingen, kunnen gebruikmaken van een overgangsregeling. De nieuwe loonkostenvoordelen behandelen we in hoofdstuk 10: Eindheffing, afdrachtverminderingen en tegemoetkomingen loondomein.

Voor de twee laatstgenoemde premiekortingen komen geen nieuwe voordelen in de plaats.

Lagere premies voor scholieren en studenten
Voor scholieren en studenten die ten hoogste 8 aaneengesloten weken in loondienst werken, mag een werkgever in bepaalde bedrijfstakken het lagere premiepercentage voor de premie WW-sectorfonds toepassen. Voorwaarde is dat de student recht heeft op studiefinanciering of dat de ouders van de scholier recht op kinderbijslag hebben. De regeling geldt voor de sectoren 1, 3, 33, 54 en 56. Het lage percentage mag ook worden toegepast als de werkgever een leer-werkovereenkomst afsluit met een mbo-leerling die de beroepspraktijkopleiding van de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) volgt.

Geen stijging gedifferentieerde premie
Bij indienstneming van een arbeidsgehandicapte werknemer loopt de werkgever het risico dat deze opnieuw langdurig uitvalt. De werkgever kan beducht zijn voor de mogelijke instroom in de WGA. Hierdoor zou de gedifferentieerde WGA-premie (onderdeel van de Whk-premie) voor de onderneming kunnen stijgen.

Om deze reden is geregeld dat geen hogere WGA-premie in rekening wordt gebracht als de arbeidsgehandicapte werknemer toch weer langdurig arbeidsongeschikt blijft en in de WAO of WlA terechtkomt.

Met ingang van 2018 zijn de twee eerstgenoemde premiekortingen vervangen door loonkostenvoordelen. Inhoudingsplichtingen die recht hadden op premiekortingen, kunnen gebruikmaken van een overgangsregeling. De nieuwe loonkostenvoordelen behandelen we in hoofdstuk 10: Eindheffing, afdrachtverminderingen en tegemoetkomingen loondomein.


Vragen over hoofdstuk 3 De loonheffingen

Ben je benieuwd of je de theorie goed hebt begrepen? Beantwoord dan de onderstaande vragen. De antwoorden komen later in de proefles terug.

  1. Wanneer wordt de loonbelasting/premie volksverzekeringen een eindheffing genoemd?
  2. Welke instantie is verantwoordelijk voor de heffing en inning van de verplichte loonheffingen?
  3. Uit welke twee onderdelen bestaat de WW-premie?
  4. Welke instantie is verantwoordelijk voor de heffing en inning van de vrijwillige volksverzekeringen?
  5. Uit welke twee onderdelen bestaat de WIA-premie?

Bekijk hier de antwoorden

Onderstaand kun je jouw antwoorden controleren.

1. Als er zoveel ingehouden en afgedragen is, dat de belastingplichtige geen aangifte en aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen meer krijgt. (Men spreekt ook van eindheffing als de loonheffing voor rekening komt van de werkgever. Dit is een heel andere betekenis van de term eindheffing).
2. De Belastingdienst.
3. De WW-premie bestaat uit:

  • premie voor het Awf (Algemeen werkloosheidsfonds);
  • sectorpremie (premie voor het sectorfonds).

(Voor overheidsinstellingen die eigenrisicodrager WW zijn, is er de Ufo-premie).

4. De SVB.
5. De WIA-premie bestaat uit:

  • basispremie WIA (voor IVA en WGA), die samengevoegd is met de basispremie WAO;
  • premie WGA, samen met premie ZW-flex geheven als gedifferentieerde premie Whk.

FlexibelStuderen® doe je bij NTI

Boekenwurmen, nachtbrakers, ochtendmensen, carrièretijgers; iedereen is anders en iedereen studeert anders. Met FlexibelStuderen® van NTI studeer jij op een manier die echt bij jou past. Start met jouw opleiding wanneer je wilt. Bepaal zelf waar en wanneer je studeert in een online leeromgeving en met echte studieboeken. Zo kun jij een opleiding goed combineren met een drukke baan, hobby’s en gezinsleven. FlexibelStuderen® doe je bij NTI.

Ben je na het volgen van de proefles enthousiast geworden?

Je kunt elke dag starten met Praktijkdiploma loonadministratie (PDL®), dus zet vandaag nog de eerste stap!

Daarom FlexibelStuderen®:

  1. Erkende opleidingen, bekende naam
  2. Studeren met veel persoonlijk contact
  3. Voordelig studeren, transparant over kosten
  4. Studeren op jouw moment en jouw manier
  5. Overal studeren met onze online leeromgeving
  6. Persoonlijke begeleiding door mentoren en ervaren docenten
  7. Werkgevers zijn snel overtuigd

Neem gerust contact met ons op, als je nog vragen hebt. Succes met het kiezen van je opleiding!

1 / 1