Proefles: Kinderpsychologie

Krijg inzicht in de psychologie van kinderen!

Met deze proefles krijg je een indruk van de cursus: Kinderpsychologie van het NTI. Je krijgt inzicht in de lesstof. Je kan ook alvast vragen maken en deze zelf controleren.
Mocht je vragen hebben, neem dan gerust contact met ons op.
Heel veel succes en plezier met de proefles. 

Hoofdstuk 2

Geboorte en eerste levensmaanden

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt eerst aandacht besteed aan de geboorte en de complicaties die zich hierbij voor kunnen doen. Daarna worden de ontwikkeling van de motoriek en de ontwikkeling van de zintuigen nader bekeken. Kijkend over de schouders van de ouders wordt ingegaan op onderwerpen als: borst of flesvoeding, wat te doen wanneer de baby huilt en gaan ouders anders om met hun zoontje dan met hun dochtertje?

2.1 Geboorte

Na zo’n 38 weken is de foetus klaar voor de geboorte. Het gewicht van de foetus is dan rond de 7,5 pond met als ondergrens 5 en als bovengrens 10 pond (dit is de normale variatie). Gedurende de laatste weken neemt de foetus een min of meer blijvende positie in de baarmoeder in.

2.1.1 Bevalling

De bevalling doorloopt de volgende fasen:
1 Eerst is er sprake van milde, onregelmatige samentrekkingen van de baar moeder. Allengs worden de samentrekkingen van de baarmoeder sterker en krijgen ze meer regelmaat. De baarmoedermond verslapt en wordt wijder.
2 Hierna volgt de fase van uitdrijving. Het hoofd van de baby drukt in het geboortekanaal, en bij volledige ontsluiting van de baarmoedermond werkt de moeder actief mee aan de geboorte (persen).
3 De laatste fase duurt slechts enkele minuten; nu wordt de placenta* uitgedreven.

2.1.2 Complicaties rond de geboorte

Zuurstofgebrek

Het grootste risico tijdens de geboorte is de kans op zuurstofgebrek (anoxia). Anoxia kan voorkomen doordat de navelstreng om de hals van de baby ver strikt is geraakt. Ook wanneer de geboorte te lang duurt (bijvoorbeeld bij een stuitbevalling) is er kans op anoxia.

Prematuur

Een complicatie die zich vlak na de geboorte voor kan doen, heeft te maken met het geboortegewicht van de baby. Sommige baby’s hebben bij de geboorte een te laag geboortegewicht. Deze baby’s noemt men prematuur* als ze te vroeg worden geboren (dat wil zeggen voor de 37ste zwangerschapsweek). Baby’s die met een te laag geboortegewicht op tijd worden geboren, noemt men dysmatuur*. Deze kinderen zijn bij de geboorte dus te licht voor de zwangerschapsduur, bijvoorbeeld minder dan 2.500 gram bij een zwangerschapsduur van veertig weken. Voor zowel pre- als dysmature kinderen vormt het te lage geboortegewicht een bedreiging voor de ontwikkeling. 

Dysmatuur

Kinderen met een te laag geboortegewicht worden na geboorte in de couveu se gelegd waar zij met zorgvuldige verzorging de eerste levensdagen of langer doorbrengen. Voor de ouders is dit een onplezierige ervaring; ze kunnen hun kind niet vasthouden en vertroetelen. Hier komt nog bij dat couveusekinde ren er vaak weinig aantrekkelijk uitzien: hun huidje is gerimpeld en vaak huilen ze veel.
Wanneer baby’s met een te laag geboortegewicht goed worden opgevangen na de geboorte hoeven er geen problemen op te treden.

2.1.3 Is de baby gezond?

Direct na de geboorte, om precies te zijn één minuut na de geboorte, worden vijf belangrijke kenmerken van de baby beoordeeld. Het gaat om de ademhaling, hartslag, spierspanning, prikkelreactie en kleur van de huid. De baby kan voor elk kenmerk nul, één of twee punten krijgen en kan maximaal een score van tien halen. De snelle check na de geboorte staat bekend als Apgar-score. De Apgar-score wordt na vijf minuten nog een keer bepaald. Wanneer de baby bij voor beeld een hartslag van 100-140 slagen per minuut heeft, krijgt hij een score van twee; voor 100 slagen per minuut of minder een score van één en wanneer er geen hartslag wordt waargenomen een score van 0. Krijgt de baby een score lager dan zeven, dan is extra zorg geboden. Heeft de baby een Apgar-score onder de vier, dan is direct medisch ingrijpen noodzakelijk. 

Figuur 2.1 De schaal van Apgar bij de eerste diagnose van pasgeboren baby's

2.1.4 Hielprik

Baby’s worden nu in de eerste week na de geboorte met een hielprik op drie stofwisselingsziekten getest. Vanaf 2007 worden baby’s ook op meer ernstige aandoeningen onderzocht, zoals de sikkelcelziekte. Hiervoor is het nodig dat er bij de hielprik iets meer bloed voor het onderzoek wordt afgenomen.

2.1.5 Gehoorscreening

In de eerste weken na de geboorte wordt een gehoorscreening aangeboden. Bij de gehoorscreening krijgt de baby een zacht dopje in het oor. Dit dopje is verbonden met een apparaat dat het gehoor van de baby meet. Het onderzoekje is niet belastend voor de baby en duurt enkele minuten.
Voor de gehoorscreening wordt door het consultatiebureau met de ouders contact opgenomen voor het maken van een afspraak. De gehoorscreening wordt vaak gelijk met de hielprik gepland.

2.2 Wiegendood

Vroeger lag de kinder-/babysterfte veel hoger dan nu. Door de betere prenatale zorg
en door meer inzicht in genezen en voorkomen van ziekten komen de meeste baby’s
gezond ter wereld en groeien ze gezond op.
Eén verschijnsel kan echter nog steeds onvoldoende worden verklaard: de wiegendood. Sinds 1979 is wiegendood erkend als doodsoorzaak en wordt dit door het Centraal Bureau voor de Statistiek bijgehouden. Het blijkt dat Nederland hoort tot een van de landen met het laagste cijfer baby’s die aan wiegendood overlijden. De diagnose wiegendood wordt gesteld wanneer een baby zonder aanwijsbare oorzaak sterft. Het gaat meestal om baby’s tussen de twee en vier maanden, soms zijn ze iets ouder.
Uit nader onderzoek is gebleken dat ongeveer de helft van de baby’s kort voor het doodgaan een infectie van de luchtwegen had. Hun Apgar-score is wat lager, maar niet abnormaal. Er wordt naar oorzaken gezocht in de hersenen, maar ook wordt gekeken naar afwijkingen op neurologisch gebied.

2.3 Reflexen

Pasgeborenen hebben de beschikking over een aantal reflexen die nodig zijn om te overleven. Een goed voorbeeld hiervan is de ademhalingsreflex, maar ook hoesten of overgeven. Andere reflexen die van direct belang zijn, zijn de zuigreflex en de slikreflex.

De pasgeborene vertoont nog een aantal reflexen, waarvan de functie minder duidelijk is. Waarschijnlijk hebben deze reflexen heel vroeger een functie vervuld. Het gaat om de volgende reflexen:
Babinskyreflex: strijken langs de voetzool, van hiel naar teen: tenen spreiden zich, de grote teen buigt. Deze reflex verdwijnt tegen het eind van het eerste jaar.
Mororeflex: door het kind onverwacht even los te laten, spreidt het armen en benen. Dezelfde reflex treedt op bij het horen van een hard geluid (schrikreflex). Deze reflex verdwijnt na zes maanden.
Grijpreflex: het kind klemt een vinger of potlood in zijn hand vast. Deze reflex verdwijnt na vier maanden.
Loopreflex: wanneer de baby rechtop wordt gehouden en wanneer zijn voeten een harde ondergrond voelen, zal het kind als het licht voorover wordt gehouden loopbewegingen maken. Deze reflex verdwijnt na ongeveer vier maanden.

Deze reflexen hebben een diagnostische waarde: zwakke reflex of afwezigheid van een reflex kan op een neurologische stoornis wijzen.

Figuur 2.2 t/m 2.7: Zuigreflex, voetzoolreflex, Babinskyreflex, voetgrijpreflex, loopreflex en mororeflex.

2.4 Ontwikkeling van de motoriek

Het skelet van de baby bestaat voor het grootste deel nog uit kraakbeen. De schedel van de baby is nog niet geheel gesloten: de fontanel* is nog voelbaar tot het tweede jaar.

Ontwikkelingsvolgorde

Deze eigenschappen vergemakkelijken de gang van de baby door het geboortekanaal.
De ontwikkeling van de motoriek voltrekt zich volgens onderstaande principes:
- Van boven naar beneden (cephalocaudaal*): het bovenste deel van het lichaam is eerder ontwikkeld dan het onderste deel van het lichaam. Baby’s kunnen eerder hun hoofd draaien, dan hun voet bewust een kant uit bewegen.
-        Van binnen naar buiten (proximodistaal*): baby’s kunnen eerder hun schouder bewegen, dan hun hele arm en ze kunnen eerder hun arm bewegen, dan hun vingers.

Met een week of vier kunnen baby’s, wanneer zij op hun buik liggen, hun hoofd korte tijd omhoog houden. Zo verruimen zij hun blikveld en dit is voor hen stimulerend. Rond twee à drie maanden kan de helft van de baby’s zich omdraaien. Een leuke ontdekking voor de moeder die het kind op de rug heeft gelegd en het later op zijn buik gedraaid terugvindt.

Rond zes maanden kunnen de meeste baby’s zitten zonder te worden gesteund. Rond deze tijd verkennen de baby’s de kamer waarin zij verkeren. Zij kunnen zich verplaatsen door te ‘zeerobben’: ze bewegen zich liggend over de grond voort door hun armen te gebruiken of door te krui pen. Rond tien maanden ‘lopen’ ze van steunpunt naar steunpunt door de kamer.

Even na het eerste jaar lopen de meeste kinderen zonder daarbij te worden geholpen. Hierboven staat een aantal motorische hoogtepunten van de ontwikkeling van het jonge kind. Al snel zijn moeders erop gespitst of hun kind wel op tijd kruipt, loopt of zindelijk is. Lang niet alle kinderen gaan ‘op tijd’ kruipen of lopen: sommigen doen dit al eerder, anderen pas later. De variatie in de normale ontwikkeling kan groot zijn, zonder dat dit aanleiding tot ongerustheid hoeft te geven.

Stimulering

Stimulering van het kind speelt tijdens de gehele ontwikkeling een belangrijke rol. Het kind moet niet te veel of te weinig worden gestimuleerd, maar zo dat er van de stimulering een aangename uitdaging uitgaat. Het heeft geen zin een baby op een driewieler te zetten wanneer hij daar nog niet aan toe is. Hier gaat geen aangename uitdaging van uit; het kind begrijpt niet wat er van hem wordt verwacht door de ouders die hem aanmoedigen met ‘toe maar, toe maar’. Veel stimulerender voor de motoriek op dat moment kan het spelen met een niet te hard opgeblazen ballon zijn: het kind merkt dat de ballon een bepaalde kant uitgaat als hij een klap geeft, het kind merkt dat de moeder ervoor zorgt dat de ballon weer bij hem terugkomt.
Er bestaan niet alleen individuele verschillen in de motorische ontwikkeling, maar er zijn ook culturele verschillen.

Culturele verschillen

In sommige Afrikaanse culturen bijvoorbeeld laat men baby’s snel zitten en worden kleine baby’s regelmatig door de ouders geleerd op hun benen te gaan staan. Het resultaat hiervan is dat baby’s uit deze culturen eerder kunnen lopen dan baby’s uit Westerse culturen. In onze cultuur is het kunnen lopen van minder belang, dan in veel Afrikaanse culturen.
Baby’s van de Navahoindianen worden het eerste jaar helemaal ingewikkeld, zodat hun armen en benen recht naar beneden groeien. Het is dan ook niet verwonderlijk dat deze kinderen later gaan lopen dan de Europese kinderen. Opmerkelijk is dat van de aanvankelijke achterstand in motorische ontwikkeling na het zesde jaar niets meer te zien is.

Borstvoeding

Borstvoeding heeft een aantal voor delen: moedermelk bevat alles wat het kind nodig heeft, met uitzondering vanvitamine D. Vitamine D doet iedereen in de buitenlucht op; door bloot stelling aan zonlicht krijgt u vita mine D binnen. Moedermelk bevat een aantal stoffen die niet in instantvoeding zijn terug te vinden. De moeder melk bevat natuurlijke afweerstoffen die de baby bescherming geven tegen ziekten. Niet alleen voor de baby, maar ook voor de moeder heeft borst voeding een aantal voordelen: borstvoeding helpt bij het herstel van het eigen lichaam en verlaagt het risico op borstkanker. Door het voeden worden de zenuwen die de spieren van de baarmoeder beïnvloeden gestimuleerd, waard oor de spie ren gaan samentrekken. Door dit samentrekken van de spieren van de baarmoeder, krijgt de baarmoeder weer haar normale vorm terug.
De meeste moeders stoppen met borst voeding na vier maanden; deze periode is lang
genoeg om de baby te voorzien van de natuurlijke afweer.

Flesvoeding

Flesvoeding is niet mogelijk als het kind allergisch is voor koemelk, want koemelkvormt de basis voor de melkpoeder van de flesvoeding. Sojamelk kan echter een oplossing zijn voor kinderen met een allergie voor koemelk. Soms is flesvoeding noodzakelijk, bijvoorbeeld wanneer de moeder medicijnen gebruikt. Samengevat kan worden gezegd dat borstvoeding een aantal voordelen heeft boven flesvoeding, maar belangrijker is dat het kind liefdevol wordt gevoed.

 

2.7 Huilen

Huilen heeft een overlevingsfunctie voor de baby. Het huilen informeert anderen dat er iets aan de hand is.
De baby kan op verschillende manieren huilen: huilen omdat hij honger heeft, pijn heeft of omdat hij boos is. Ouders kennen de verschillen tussen de soorten huilgedrag van hun baby. Moeders weten dat de baby nu zijn ‘huiluurtje’ heeft. Ze hebben het kind verschoond na de voeding en van pijn is ook geen sprake, want dan zou de baby anders huilen.
Wat doet u als uw baby huilt? Over deze vraag is veel geschreven en waar schijnlijk nog meer gesproken. Verwent u de baby niet als u hem steeds oppakt wanneer hij huilt? In 1972 is er een onderzoek gedaan tussen baby’s die steeds door hun moeders werden opgepakt en baby’s bij wie dat niet werd gedaan. Het bleek dat baby’s die steeds werden opgepakt wanneer zij huilden, minder huilden in het eerste levens jaar, dan baby’s die niet steeds werden opgepakt. De verklaring die hiervoor wordt gegeven, is dat baby’s die steeds aandacht en zorg van de moeder kregen wanneer zij huilden, zich veiliger voelden en minder gingen huilen.
Als ouders op de behoefte van hun kind reageren, ontstaat er een band die bijdraagt aan de ontwikkeling van een gevoel van veiligheid en zekerheid bij het kind. Het kind voelt zich op zijn gemak en heeft minder reden tot huilen. Als er iets is, weet hij zich verzekerd van de zorg en aandacht van zijn ouders.

 

2.8 De zintuigen

Horen Een baby reageert al snel op geluid. Hij vertoont een schrikreactie (Mororeflex) bij het horen van harde geluiden. De baby reageert op geluid door zijn hoofd naar de richting van het geluid te draaien. De baby hoort hoge tonen beter dan lage tonen. Wanneer moeders iets tegen de baby zeggen, zetten ze vaak een hogere stem op. De baby is extra gevoelig voor de stem van de moeder. Hij hoort deze stem veel en is in de baarmoeder al vertrouwd geraakt met dit geluid.
Proeven De baby kan onderscheid maken tussen de smaken zoet, zuur, zout en bitter en lijkt een voorkeur te hebben voor zoet. 
Voelen De tastzin is erg belangrijk voor de baby. Wanneer hij iets ouder is, zal hij allerlei voorwerpen betasten en in zijn mond stoppen.
Ruiken De reuk is aanwezig na de geboorte, maar zal zich met het ouder worden nog verder ontwikkelen.
Zien Het kijken zoals wij doen, kan de pasgeboren baby nog niet. De eerste week ziet hij slechts schaduwen van licht en donker. Na een week kan de baby dichtbij (ongeveer 20 centimeter) redelijk scherp waarnemen. Als de moeder het kind voedt, kan het kind haar nu zien. Sommige kinderen kijken de eerste maanden wat scheel: zij moeten nog leren hun oog op een punt te richten, zodat de oogspieren zowel bewegende als stilstaande objecten leren zien. Na drie maanden verdwijnt dit en dan kan het kind ook diepte waarnemen.
Een bekend onderzoekje om de dieptewaarneming van baby’s te bepalen, was als volgt opgezet: over het diepe gedeelte was een glasplaat gelegd en baby’s in de leeftijd van zes tot twaalf maanden werden door hun moeder aangemoedigd over de glasplaat (over de diepte) naar hen toe te kruipen. De kinderen weiger den over het diepe deel naar de moeder toe te kruipen. Hierdoor werd duidelijk dat jonge kinderen diepte waarnemen en dit als onveilig ervaren.

 

2.9 Een jongetje of een meisje?

Een van de eerste vragen die worden gesteld aan de ouders na de geboorte van hun kind is de vraag: “Is het een jongen of een meisje?” Hoe belangrijk is het geslacht van het kind? Roept een ‘jongensbaby’ andere reacties op dan een ‘meisjesbaby’?
Een meisje is als baby verder ontwikkeld dan een jongen. Meisjes zijn in lichamelijk opzicht al verder bij de geboorte dan jongens en ontwikkelen zich sneller. Meisjes gaan over het algemeen eerder kruipen, zitten en lopen en zijn sneller zindelijk dan jongens. Bij jongens is de spierontwikkeling beter: op hun buik gelegen, kunnen zij hun hoofd hoger optillen.
Het verschil in de manier waarop ouders met hun baby omgaan, komt echter voort uit hun opvattingen over jongens en meisjes. Ouders van wie het kind achter een glazen ruit lag – zij hadden het zelfs nog niet vastgehouden – beschreven hun zoons als oplettend en sterk en hun dochters als teer en kwetsbaar.

Een aardig onderzoek op dit gebied is als volgt uitgevoerd: men liet proefpersonen een video-opname zien van een baby. Tegen de helft van hen werd gezegd dat de baby een jongetje was, tegen de andere helft werd gezegd dat het om een meisje ging. Vervolgens werd aan de groep gevraagd een korte beschrijving van de baby te geven. Degenen die dachten dat het om een jongetje ging, kwamen met typeringen als: hij is onafhankelijk, fel, actief. Hetzelfde gedrag noemden zij passief, afhankelijk en fijngevoelig wanneer zij dachten dat het om een meisje ging.
Blijkbaar ‘zien’ wij vanaf de geboorte al verschillen tussen jongens en meisjes. Mannen worden hierbij, meer dan vrouwen, gestuurd door hun stereotype verwachtingen ten aanzien van jongens en meisjes.

2.10 Gaan ouders anders om met hun zoon dan met hun dochter?

De geboortekaartjes, de felicitatiekaarten, de kleertjes, de cadeautjes zijn omgeven door een roze of blauwe wolk. Vanaf het allerprilste begin reageert de omgeving op het geslacht van de nieuwkomer.

Ook de ouders vinden dat ze een ‘flinke’ zoon of een ‘knappe’ dochter hebben. Moeders praten meer en langer tegen hun pasgeboren dochter. Vaders praten aanvankelijk meer tegen hun dochter, maar na drie maanden weer meer tegen hun zoon. In de regel wordt voor meisjes toch ander speelgoed of andere knuffels gekocht, dan voor jongens.
In de babytijd valt het nog wel mee met de seksestereotype opvoeding. Pas in de kleuter- en lagere schooltijd, wanneer ook de vriendjes zich hiermee gaan bemoeien, nemen de verschillen toe. Leeftijdgenootjes zijn strenge bewakers van wat meisjesachtig en wat jongensachtig is.

2.11 Overzicht groei en ontwikkeling

De WHO, de gezondheidsorganisatie van de Verenigde Naties, heeft nieuwe groeicurves ontwikkeld. Wetenschappers zijn jarenlang bezig geweest met het ontwikkelen van nieuwe groeicurves. Nieuw aan deze curves is dat zij gebaseerd zijn op kinderen die borstvoeding hebben gehad, waarmee dit dus de norm is geworden voor de groeicurves. Voor het onderzoek zijn kinderen uit zes verschillende landen gevolgd in hun groei. Het onderzoek vond plaats in Brazilië, India, Noorwegen, Ghana, Oman en de Verenigde Staten, bij kinderen die onder optimale omstandigheden opgroeiden. De nieuwe curves geven aan binnen welke grenzen kinderen horen te groeien. Uit het onderzoek kwam naar voren dat kinderen over de hele wereld binnen dezelfde lengte- en gewichtsgrenzen groeien. Natuurlijk zijn er individuele verschillen tussen kinderen maar over grote groepen en landen bekeken, blijkt de gemiddelde groei overeen te komen. De groeipatronen komen dus overeen, verschillen in groei hangen meer af van voeding, eetgewoonten, gezondheidszorg dan van erfelijke of etnische factoren.
Bij de Nederlandse consultatiebureaus wordt nog uitgegaan van groeicurves die zijn gebaseerd op de groei van kinderen in Nederland in de afgelopen jaren.
Het voordeel van de nieuwe groeicurves van de WHO is dat wanneer u groeicurves baseert op de situatie in een rijk land, u bijvoorbeeld overgewicht pas gaat constateren wanneer het kind echt overgewicht heeft. Met de nieuwe norm van de WHO kunt u overgewicht eerder constateren. Consultatiebureaus zullen minder snel zeggen dat het kindje niet goed groeit omdat borstgevoede kinderen in het begin snel en later wat langzamer groeien.

Leeftijd Lichamelijke groei en ontwikkeling

1e maand (pasgeborene) Gemiddeld geboortegewicht: 3200 gram (jongens zijn gemiddeld 400 gram zwaarder, meisjes zijn gemiddels 400 gram lichter); gemiddelde lengte: 50 centimeter
2e maand In verhouding groot hoofd: 1/3 van de lichaamslengte.
3e maand
4e maand
Gemiddelde groei in het eerste levenshalfjaar: ± 150 gram per week.
5e maand Het geboortegewicht zal nu zo ongeveer verdubbeld zijn.
6e maand Het geboortegewicht zal nu zo ongeveer verdubbeld zijn.
7e maand Doorkomen van het eerste snijtandje onder. Slaapt ’s nachts door.
8e maand
9e maand
Gemiddelde groei in het tweede levenshalfjaar: ± 80 gram per week. Eerste snijtandje boven.
10e maand Slaapbehoefte in eerste levensjaar zestien tot achttien uur.
11e maand
12e maand
 Het geboortegewicht zal nu zo ongeveer verdrievoudigd zijn. Lichaamslengte: 73-80 centimeter. Er zijn zes tot acht tandjes doorgekomen.
1 jaar Minder snelle groei: ± 10 centimeter per jaar; zwaartepunt komt te liggen op de ontwikkeling en beheersing van de lichaamsfuncties.
2 jaar (peuter) Slaapbehoefte veertien tot zestien uur. De gemiddelde groei vanaf nu tot aan de groeispurt: ± 5 centimeter per jaar; melkgebit vrij wel volledig.
3 jaar (peuter) Lichaamslengte ongeveer 80+ centimeter; dit blijft gelden tot de puberteit.
4 jaar (kleuter) Is veelal ’s nachts al droog; lichaamsgewicht ongeveer 8+ kilogram (2x het aantal jaren); dit blijft gelden tot de puberteit.
5 jaar (kleuter) Slaapbehoefte: twaalf tot veertien uur voor kinderen van vijf tot zeven jaar: verandering van kleuterpostuur in schoolkindgestalte (‘eerste strekking’).
6 jaar (schoolkind) Begin van tandenwisseling.
7 jaar (schoolkind)8 jaar (schoolkind) Acht tot tien jaar: periode van de tweede diktegroei.

9 jaar (schoolkind)
10 jaar (schoolkind)
 Slaapbehoefte tien tot twaalf uur.
11 jaar (prepuberteit) Slaapbehoefte acht tot tien uur.
12 jaar (prepuberteit) Elf tot vijftien jaar: periode van tweede strekking (‘groeispurt’), bij meisjes iets eerder inzettend dan bij jongens.
13 jaar (vroege puberteit) Meisjes tussen elf en veertien jaar: beginnend met versnelde lengtegroei, vervolgens beharing en borstontwikkeling. Deze periode eindigt met de eerste menstruatie (gemiddeld rond dertiende jaar).
14 jaar (puberteit) Jongens tussen twaalf en vijftien jaar: eerst groei van testikels, dan beharing; pas een jaar later de lengtegroei.
15 jaar (puberteit) Meeste meisjes groeien door tot zestiende tot zeventiende jaar: tot ge middelde lengte van 166,5 centimeter. Meeste jongensgroei en door tot achttiende tot negentiende jaar: tot gemiddelde lengte van 178 centimeter.

Figuur 2.10 Lichamelijke groei en ontwikkeling naar leeftijd.

Samenvattend

Als alles gaat zoals het hoort, wordt de baby na 38 weken geboren. Tijdens de geboorte loopt de baby het risico op zuurstoftekort wanneer de navelstreng om de hals verstrikt is geraakt of wanneer de bevalling te lang duurt.
Soms gaat niet alles zoals men het wenst en wordt het kind geboren met een te laag geboortegewicht. Een te laag geboortegewicht van de baby verhoogt de kans op complicaties. Door opvang in de couveuse, die het klimaat van de baarmoeder nabootst, kunnen kinderen met een te laag geboortegewicht zich in de couveuseperiode, onder het wakende oog van allerlei apparatuur, goed verder ontwikkelen.

Pasgeborenen hebben de beschikking over een aantal reflexen: zuigreflex, voetzoolreflex, Babinskyreflex, Mororeflex, grijpreflex en loopreflex. Deze reflexen horen bij de normale ontwikkeling en een aantal van deze reflexen verdwijnt na verloop van tijd weer.

De motoriek ontwikkelt zich van boven naar beneden en van binnen naar buiten. Een baby kan eerder zijn hoofd bewegen, dan zijn voet, en eerder zijn schouder, dan zijn hand.

In de meeste gevallen maakt het niet veel uit of een kind borst- of flesvoeding krijgt: belangrijker is het dat de moeder (ouders) zich prettig voelen bij het geven van de voeding.

De zintuigen van de pasgeborene zijn al redelijk ontwikkeld. Vlak na de geboorte reageert de baby al op geluid. Wat zijn smaak betreft heeft de baby een voorkeur voor zoet. Het ruiken en kijken zijn vlak na de geboorte nog niet volledig ontwikkeld. Het waarnemen van diepte kan pas na een aantal maanden. Het blijkt dat het geslacht van de pasgeborene van belang is voor de reacties die hij bij anderen oproept. Mensen blijken anders te reageren op een jongetje dan op een meisje.

Opgaven

Meerkeuzevragen

2-1

Men noemt een baby dysmatuur wanneer:
A de baby voor de zevenendertigste zwangerschapsweek wordt geboren.
B de baby te weinig weegt bij zijn geboorte.
C de baby op tijd geboren wordt, maar een te laag geboortegewicht heeft.
D de baby te laat geboren wordt. 

2-2

Karla mag haar kleine broertje even vasthouden. Terwijl ze gaat verzitten op de bank en daarbij de baby even loslaat, zien we bij de baby de:
A Babinskyreflex.
B Mororeflex.
C grijpreflex.
D zuigreflex. 

2-3

De kleine Justin kan zijn hoofdje al heel gericht naar een bepaalde kant draaien, maar met zijn beentjes komt hij niet verder dan heel ongericht trappelen. Dit illustreert:
A dat Justin erg ver is wat betreft de ontwikkeling van zijn motoriek.
B de cephalocaudale ontwikkeling.
C de proximodistale ontwikkeling.
D alle genoemde mogelijkheden. 

2-4

Welke van de onderstaande zintuigfuncties is vlak na de geboorte het minst ontwikkeld?
A Horen.
B Proeven.
C Zien.
D Ruiken.

2-5

Uit het onderzoek naar de dieptewaarneming van baby’s blijkt dat baby’s diepte waarnemen vanaf:
A de geboorte.
B drie maanden.
C zes maanden.
D twaalf maanden.

Uitwerkingen

Hoofdstuk 2 Geboorte en eerste levensmaanden

2-1 C is juist (het wordt op tijd geboren, maar heeft een te laag geboortegewicht).
2-2 B is juist (de Moro-reflex treedt dan op).
2-3 B is juist (dit illustreert de cephalocaudale ontwikkeling).
2-4 C is juist (het ziet de eerste week slechts schaduwen).
2-5 C is juist (in het onderzoek waren ze zes maanden oud).

 

Ben je na het volgen van de proefles enthousiast geworden?

Je kunt elke dag starten met de cursus Kinderpsychologie, dus zet vandaag nog de eerste stap! 

8 redenen om bij het NTI te studeren

  1. Erkende opleidingen, gewaardeerd in het bedrijfsleven
  2. Prettige en deskundige begeleiding door ervaren docenten
  3. Voordelig lesgeld
  4. Flexibel studeren
  5. Studeren met veel persoonlijk contact
  6. Modern studeren via onze online leeromgeving
  7. Jouw persoonlijke mentor voor jouw studiebegeleiding
  8. Studeren op kosten van de werkgever en/of de fiscus
1 / 22