Proefles: Cultuurgeschiedenis

Start een zoektocht naar het verleden met de cursus Cultuurgeschiedenis!

Met deze proefles krijg je een indruk van de cursus Cultuurgeschiedenis van het NTI. Je krijgt inzicht in de lesstof. Je kan ook alvast vragen maken en deze zelf controleren. Mocht je vragen hebben, neem dan gerust contact met ons op. Heel veel succes en plezier met de proefles.

Lees ook de ervaring van Carla Gielens:

"Ik heb een goede keuze gedaan door te kiezen voor de cursus Cultuurgeschiedenis. De tekst is heel goed leesbaar en stimuleert tot verdere studie. De foto's en tekeningen zijn een goede leidraad bij de studie. Grappig is om te zien dat ik sommige bouwwerken en schilderijen terugzie die ik eerder gezien heb en nu op een andere manier bekijk. De cursus is een echte aanrader."

 

Cultuur in de middeleeuwen 

Inleiding
Met de val van Rome en het West-Romeinse Rijk viel Europa uiteen in verschillende koninkrijkjes en stammen. Na een lange periode van eenheid en voorspoed brak een tijd aan van onzekerheid, kleinschaligheid en hard werken om te kunnen overleven. De wereld van de West-Europeanen veranderde. Of dat nog niet genoeg was, werden ze ook nog eens bedreigd door allerlei volken, die tussen 400 en 600 Europa binnenvielen.
Dit begon met Germaanse volken die binnen het Romeinse Rijk mochten leven. Na de val van het rijk kwamen er steeds meer vreemdelingen. Germaanse volken als de Goten, Alemannen, Saksen en de later zo machtige Franken kwamen vanuit het Oosten naar Europa. Zij waren op hun beurt op de vlucht geslagen voor de Hunnen. Dit was een nomadenvolk dat van de steppen van Centraal-Azië kwam en door klimaatverandering en bevolkingsgroei naar het Westen trok. Deze Hunnen, met de bekende Attilla de Hun als groot leider, reden plunderend met grote kudden dieren door Europa. Ze lieten soms een spoor van verwoesting achter. Maar ook de Germaanse volken plunderden. De Vandalen zijn hierdoor zelfs een begrip geworden. Deze Vandalen streken overigens uiteindelijk neer in Noord-Afrika en specialiseerden zich in de piraterij, waardoor ze bijna een eeuw lang de schrik waren van de Middellandse Zee. De Germaanse volken vestigden zich ten slotte in Europa. Dit waren de duistere middeleeuwen, die van rond 500 tot ongeveer 1500 liepen. Deze periode werd zo genoemd omdat het werd gezien als een soort tussenperiode tussen de verheven oudheid en de wedergeboorte van de oudheid, oftewel de renaissance van de zestiende eeuw. De mensen die in de renaissance leefden, dachten dat de duizend jaar daarvoor een tijd was van stilstand en achteruitgang. Niets is echter minder waar. De middeleeuwen waren ook een periode waarin belangrijke vernieuwingen plaatsvonden, zoals de molen, en verbeteringen op het gebied van de landbouw. Voor het gemak delen historici de duizend jaar vaak op in drie perioden:
1. de vroege middeleeuwen;
2. de hoge middeleeuwen;
3. de late middeleeuwen.

In dit hoofdstuk worden verschillende culturen behandeld. De middeleeuwen beslaan grofweg een periode van duizend jaar, dus het is niet mogelijk om een beschrijving van alle culturen te geven. Er worden drie culturen behandeld:
1. de cultuur van de machtige Franken en het daaruit voortkomende ‘Frankrijk’ en ‘Duitsland’;
2. de Nederlanden;
3. het Byzantijnse Rijk.

De Franken leefden in de vroege middeleeuwen, bij de Nederlanden worden de hoge middeleeuwen behandeld, en het Byzantijnse Rijk viel uiteen in de late middeleeuwen door de Turkse bedreiging die Europa daarna nog eeuwenlang in haar greep zou houden. Dit waren belangrijke, bloeiende culturen die hun stempel drukten op het Europa van de middeleeuwen.

Bij de behandeling van deze culturen in de verschillende tijdsperioden komen zijdelings ook de andere Europese culturen van die tijd aan bod. Daarbij wordt er bij elk van deze culturen naar verschillende elementen gekeken: naar de sociale standen, de beroepen, de positie van de vrouwen, de opvoeding van de kinderen, de gangbare mode, de woningen en het eten. Tot slot komen ook specifieke kenmerken van de culturen naar voren.

Frankenrijk: vroege middeleeuwen

Franken
De geschiedenis van de machtige Franken begon in Nederland. Hier leefden de Franken oorspronkelijk. Ze vertrokken echter in de vierde eeuw uit Nederland naar het Zuiden, richting het huidige Frankrijk. In deze tijd was er nog geen eenheid en stonden er verschillende koningen aan het hoofd van de Franken. Dit veranderde in 482, toen Clovis de verschillende koningen uitroeide en alleenheerser werd. Hij zorgde zo voor politieke eenheid van de stam. Oorspronkelijk geloofde Clovis in verschillende Germaanse goden, zoals Wodan. Later bekeerde hij zich echter tot hetzelfde geloof als zijn Bourgondische vrouw Clothilde: het christendom.

Frankische vorsten als Clovis luisterden graag aan het hof naar dichters. Maar ook buiten de hoven mochten de Franken graag naar de skop, de verteller, luisteren. Vooral het ‘loflied’ (over een vorst) en het ‘heldenlied’ waren erg geliefd. Een voorbeeld van een heldenlied is het Hildebrandslied. Dit lied vertelt het verhaal van de strijd tussen Hadubrant en zijn vader, de oude Hiltibrant, die dertig jaar buiten zijn land is geweest in dienst van Theotrîk van Verone, koning der Oost-Goten (een Germaanse stam). 

“welaga nu, waltant got [quad Hiltibrant], wewurt skihit.
ih wallota sumaro enti wintro sehstic ur lante, dar man mih eo scerita in folc sceotantero:
so man mir at burc enigeru banun ni gifasta, nu scal mih suasat chind suertu hauwan,
breton mit siniu billiu, eddo ih imo ti banin werdan.
doh maht du nu aodlihho, ibu dir din ellen taoc,
in sus heremo man hrusti giwinnan,
rauba birahanen, ibu du dar enic reht habes”.

De bovenstaande tekst betekent:

“Ach, almachtige God [sprak Hildebrand], onheil geschiedt.
Ik zwierf zestig zomers en winters in vreemde landen,
waar men mij altijd schaarde onder het strijdvolk:
Terwijl men mij bij geen enkele vesting kon doden
moet nu mijn eigen kind me met zijn zwaard vellen,
neerslaan met zijn wapen, of ik moet zijn moordenaar worden.
Je kunt nu gemakkelijk, als je kracht het toelaat,
van een zo oude man het harnas veroveren, buit bemachtigen, als je daarop enig recht hebt.”

Een fragment uit het Hildebrandslied. Vader en zoon ontmoeten elkaar op het slagveld, maar ze herkennen elkaar niet, en gaan een gevecht aan.

Karel de Grote
Na Clovis stond pas in de achtste eeuw weer een machtige Frankische vorst op: Karel de Grote. Hij was de zoon van Pippijn en ‘Bertha met de grote voeten’. In werkelijkheid heette zijn moeder Bertrada van Laon, maar ze kreeg deze bijnaam omdat ze erg lelijke voeten schijnt te hebben gehad.
Het verging de Franken goed met Karel aan het hoofd. Hij bleek een krachtige vorst te zijn en genoot veel aanzien onder het volk. Ook was hij militair erg sterk, hij trok bijna elk jaar er op uit om nieuwe gebieden te veroveren. Het rijk werd dan ook aanzienlijk uitgebreid onder zijn leiderschap.
De expansie van het Rijk der Franken onder Karel de Grote.

cultuurgeschiedenisHet rijk van Karel de Grote besloeg uiteindelijk vrijwel geheel Europa. Hij wordt dan ook wel Pater Europae (Latijn voor Vader van Europa) genoemd. Ook het huidige Nederland behoorde tot zijn rijk. Karel kwam graag naar een van zijn paleizen langs de Maas, bijvoorbeeld het Valkhof in Nijmegen. Hij bleef meestal in één paleis totdat al het voedsel daar op was en trok daarna weer verder naar het volgende gebied en het bijbehorende paleis.7 Hierdoor wordt hij ook wel eens Vagabundus Carolus genoemd.

Angelen, Juten en Saksen
Ten westen van het Frankenrijk lag het land van de Angelen, Juten en Saksen: het huidige Engeland. Tijdens de volksverhuizingen waren deze Angelen, Saksen en Juten naar het door de Romeinen verlaten Engeland getrokken. Ze verdrongen de Britten naar Wales, Cornwall, Schotland en Bretagne en vestigden zich. Over de vergeefse strijd van de Britten tegen deze Saksen gaat de legende van Koning Arthur met zijn ridders van de ronde tafel. Tijdens de heerschappij van Karel kwam er meer eenheid in Engeland. Er regeerde toen voor het eerst één koning over het gehele land. In deze periode begonnen ook de invallen van de Noormannen. Zij kwamen uit het huidige Scandinavië en werden ook wel Vikingen genoemd.

Ze hebben in Engeland, maar ook in de rest van West-Europa veel huizen, kloosters en kerken geplunderd. De blonde ruwe kerels met helmen met twee hoornen erop en varend in slanke lange schepen met drakenkoppen moeten de middeleeuwers veel angst hebben ingeboezemd. Hoewel de Vikingen ook het rijk van Karel de Grote aanvielen, vormden ze in eerste instantie nog geen echte bedreiging voor hem. Dit gebeurde pas eind negende eeuw, toen ze zorgden voor het uiteenvallen van het Frankenrijk.
Moren
In het zuiden van het Frankenrijk lag het emiraat van Córdoba, het huidige Spanje. Dit was in de achtste eeuw vanuit Noord-Afrika ingenomen door de islamitische Arabieren. Zij werden ook wel Moren genoemd. Deze Moren konden de macht overnemen door verdragen te sluiten met de toenmalige Spaanse heersers. Ze vormden nooit een meerderheid, maar zorgden er wel voor dat hun cultuur dominant werd. In het zuiden van Spanje zijn nu nog altijd sporen terug te vinden van deze Moren. Karel de Grote voerde tevergeefs een harde strijd tegen deze islamieten, omdat hij het christendom wilde verbreiden.

Byzantijnse Rijk
In het oosten van het Frankenrijk lag nog het oude Oost-Romeinse Rijk, dat intact was gebleven. In deze tijd werd dit rijk het Byzantijnse Rijk genoemd. De relatie tussen het Byzantijnse Rijk en Karel de Grote was slecht. Het feit dat de paus Karel in 800 tot keizer had gekroond, viel daar niet in goede aarde. Pas na jaren erkende het Byzantijnse hof Karel als keizer.

Vernieuwing
Karel de Grote was een groot voorstander van de wetenschap. Tijdens zijn regeringsperiode stimuleerde hij vernieuwing van de Germaans-christelijke cultuur. Hij bevorderde kunst en wetenschap (wel in christelijke geest) in die mate,dat er zelfs gesproken kan worden van de zogenaamde Karolingische renaissance.Tijdens deze renaissance was er een hernieuwde belangstelling voor de klassieke cultuur. Zo werden in kloosterbibliotheken bijvoorbeeld veel Latijnse teksten gekopieerd.

cultuurgeschiedenisBijna alleen geestelijken konden lezen en schrijven, Karel de Grote niet. Als hij iets moest ondertekenen, schreef iemand anders zijn naam en zette hij een kruisje. Toch, of misschien wel daardoor, vond hij het onderwijs erg belangrijk en stichtte hij veel kloosterscholen. Ook haalde hij allerlei bekwame mannen naar zijn hof om hemzelf en vele van zijn kinderen te onderwijzen. Het onderwijs bestond overigens net als in de oudheid uit de zeven vrije kunsten. Dit onderwijs werd echter alleen aan de hoge adel en de geestelijken gegeven. Eerst kregen de leerlingen les in grammatica, retoriek en dialectiek. Later kregen de gevorderden lessen in geometrie, astronomie, aritmetica (rekenen) en muziek.

Tijdens deze Karolingische renaissance werd ook het schrift hervormd. De Karolingische minuskel ontstond, die veel leesbaarder was dan het oude cursiefschrift. De Karolingische minuskel werd in heel West-Europa veel gebruikt.

De Karolingische Minuskel, het nieuwe gestandaardiseerde schrift dat is vastgelegd in het klooster van Corbie in 770 na Chr., zal het mogelijk maken manuscripten te verspreiden door het hele Karolingische gebied in Europa.

Feodalisme
Daarnaast zorgde Karel voor vernieuwing in het bestuurssysteem, dat grote invloed op de middeleeuwse maatschappij kreeg. Zijn rijk was zo groot dat hij onmogelijk voortdurend kon gaan reizen om aan iedereen zijn gezag te tonen. Als gevolg daarvan ontstond de vazalliteit of het feodalisme. Dit betekende dat hij leden van de adel vroeg om hem te vertegenwoordigen in delen van het rijk. Zij werden vazallen genoemd. Als dank kregen zij een stuk grond in leenbeheer. Deze vazallen namen zelf ook weer vazallen in dienst om delen van hun gebied te besturen, en deze vazallen of leenmannen hadden weer hun eigen vazallen, enzovoort. De laagste in de vazallenrang was de graaf.

Na de dood van Karel de Grote viel zijn rijk uiteen in meerdere rijken (het rijk werd verdeeld onder zijn zoons). Ook deze rijken werden weer verdeeld in kleinere bestuurlijke gebieden. Hierdoor kwamen er steeds meer lage bestuurders, die steeds meer macht kregen.

Sociale structuur
De feodale standensamenleving was voornamelijk agrarisch en er was nog bijna geen geldverkeer. Alleen in gebieden waar handel gedreven werd, zoals in het toenmalige Friesland met zijn bloeiende lakenhandel, werd geld als ruilmiddel gebruikt. Vooral bezit (van grond) en macht waren erg belangrijk.
Sinds de val van het Romeinse Rijk was de welvaart enorm afgenomen en daarmee ook de bevolkingsgroei. Er waren drie standen ontstaan:
1. geestelijkheid;
2. adel
3. vrije boeren, ambachtslieden en handelaren.

Horigen
Daarnaast waren er nog de horigen, die niet tot een stand werden gerekend. Zij waren boeren die grond van een heer (de eigenaar van die grond) in ‘leen’ kregen en gebonden waren aan deze heer. Ze waren dus niet vrij, maar ook geen slaven. Wel moesten ze de grond van de heer bewerken en ook een deel van de oogst aan hem afstaan. In ruil hiervoor mochten de boeren op het land wonen, kregen ze vee en bood de heer bescherming tegen roversbenden en invallers. Dit leenstelsel heeft eeuwen bestaan en verloor pas aan invloed toen in de elfde eeuw de steden opkwamen.

Sommige steden werden zo machtig dat ze weerstand konden bieden aan de machtige adel en geestelijkheid. De steden van het graafschap Vlaanderen waren bijvoorbeeld onder andere door de lakenindustrie erg machtig in die tijd. Dit waren steden als Brugge, Gent, Ieper, Rijsel en Dowaai. Ook kwam hiermee een nieuwe stand op, die van de steden en de burgers.

Arbeid
De Frankische bevolking leefde voornamelijk op het platteland. Ze leefde van de handel, ambacht en van de landbouw en veeteelt. Ze handelde in glas, aardewerk, graan, wijn, olie, specerijen, zout, textiel en producten van leer of hout. De Franken waren vooral befaamd door hun zwaarden, die van uitstekende kwaliteit waren. Ze waren hard en duurzaam en flexibel. Er waren meerdere ambachtelijke beroepen in de Frankische samenleving, onder andere klokkengieters, steenhouwers, timmerlieden, metselaars, muurschilders, kleermakers, houtsnijders en muntmeesters. De Franken hadden veel glasmakerijen. Ze gebruikten hiervoor de oude Romeinse fabrieken.

Woningbouw
cultuurgeschiedenisDe huizen van de Franken waren van hout of aarde. Later werden ze van steen gebouwd. Veel Frankische dorpen hadden zogenaamde ‘verzonken huizen’, grote rechthoekige gaten in de grond die fungeerden als kamers. Ze hadden rieten daken die op palen bevestigd waren. Sommige verzonken gebouwen dienden als woonhuizen, maar ze werden ook gebruikt als weefhutten, stallen voor de varkens of als kippenhokken. Verder woonden veel Franken in overgebleven Romeinse huizen of in lemen en houten hoeven.

Mode
De Franken gebruikten kleding om hun sociale status te laten zien. De vorsten en de hoge adel droegen kleding van dure stoffen als zijde. Vaak werden er in deze kleding gouddraad als borduursel of juwelen gebruikt. Karel de Grote zou schoenen hebben gehad die met juwelen waren bestikt. De rijke dames droegen graag mode uit het Byzantijnse Rijk, zoals Byzantijnse oorringen, parels en mantelspelden. De gewone man en vrouw hadden veel wollen kleding. De Franken droegen graag lange mantels die bijeen werden gehouden met mantelspelden. Deze mantels waren erg lang, zodat de mannen er tijdens hun veldtochten ook onder konden slapen. Karel de Grote vond de mantels die van Fries laken werden gemaakt, bijvoorbeeld veel te kort. Hij zou zich eens verwonderd afgevraagd hebben hoe je het ooit warm moest krijgen onder die veel te korte mantels.

Vrouwen
In de vroege middeleeuwen werd de vrouw beschouwd als ondergeschikt aan de man. Volgens de geestelijken waren vrouwen dom, labiel en ook nog gevaarlijk, aangezien Eva volgens de bijbel Adam had verleid met de verboden vrucht. De kerk vond seksualiteit zondig, waardoor het huwelijk niet in hoog aanzien stond. Het celibaat werd bijzonder belangrijk gevonden en ook maagden werden erg gewaardeerd. Toch trouwden de meeste mensen in deze tijd en kregen ze kinderen.

Eten en drinken
De eetgewoonten van de vroege middeleeuwen waren heel anders dan de Romeinse. Er werd veel rogge, gerst (voor brood en pap), wortels, knollen, erwten, klein wild, kaas en af en toe gezouten varkensvlees gegeten. De mensen dronken veel bier. Het bier was echter nog veel minder sterk dan ons huidige bier en een echte volksdrank. Ook kinderen dronken het. Men dronk ook mede (een soort honingdrank), melk, cider en wijn. De adel at meer vlees, wild en gevogelte dan de gewone man. Gemiddeld aten de mensen twee keer per dag warm. Er werd in een grote pot gekookt die boven het vuur hing. De Frankische cultuur werd erg beïnvloed door de Romeinse cultuur, wat goed in de Frankische kunst is terug te zien. De edelsmeed- en emailleerkunst is bijvoorbeeld een combinatie van Frankische en Romeinse invloeden. 

4.2 De Nederlanden: hoge middeleeuwen

Heilige Roomse Rijk
In de vroege middeleeuwen behoorden ook de Nederlanden tot het Frankenrijk. Na de dood van Karel de Grote werd het rijk, naar Frankische traditie, verdeeld onder zijn drie zoons. Zo ontstonden in 843 drie rijken: een westelijk deel, een middenrijk en een oostelijk rijk. Hieruit ontstonden uiteindelijk Frankrijk en het Heilige Roomse Rijk. De Nederlanden gingen onder andere deel uitmaken van dit Heilige Roomse Rijk en de Duitse keizer. De keizer had hier echter niet veel macht. De regionale machthebbers hadden zoveel macht dat ze in wezen als onafhankelijke bestuurders regeerden.

Noormannen
cultuurgeschiedenisIn de negende eeuw werden de Nederlanden regelmatig aangevallen door de Noormannen. Deze Vikingen leefden voorheen relatief rustig in hun eigen gebieden van de landbouw, visserij, jacht en handel. Toen in de negende eeuw het klimaat kouder werd, trokken ze naar het Westen en het Zuiden om daar handel te drijven. Het bleef echter niet alleen bij handel. Veel steden en dorpen werden geplunderd. Na de dood van Karel de Grote kwamen de Noormannen veel naar de Nederlanden omdat het centrale gezag was weggevallen. Ze plunderden voornamelijk goud, zilver en edelstenen uit de schatkamers van kerken en kloosters. Een manier om de plunderingen tegen te houden was de leiders grond in leen te geven. Hierdoor assimileerden de Noormannen met de bevolking. Aan het einde van de negende eeuw kregen ook de inwoners van de Nederlanden het slechter door misoogsten vanwege het koude weer. Hierdoor namen de plunderingen af en gingen de Vikingen zich meer op Engeland richten.

Vernieuwing
De twaalfde eeuw was in zekere zin een voorloper van de renaissance, waarin veel werd teruggekeken naar de oudheid. Er werd veel Latijnse literatuur bestudeerd en ook veel nieuwe literatuur geschreven in het Latijn. Ook werden veel stukken van antieke schrijvers vertaald, werd een nieuwe studie Romeins recht opgezet, ontstonden de eerste universiteiten en kwam er hernieuwde belangstelling voor de filosofie. Hierdoor kan met recht worden gesproken van een twaalfde-eeuwse klassieke wedergeboorte, een renaissance dus. In de vijftiende eeuw zou er op grote schaal aandacht komen voor de klassieke oudheid, tijdens de periode die wij de renaissance noemen. Aan het einde van de hoge middeleeuwen leerden steeds meer mensen lezen en schrijven. Hierdoor werd steeds meer op schrift vastgelegd en kwam er meer literatuur in omloop. Dit werd ook in de volkstaal geschreven in plaats van alleen in het Latijn, waardoor de literatuur een veel groter publiek bereikte. Het Oudnederfrankische Ludwigslied is een voorbeeld van literatuur in de volkstaal. In dit lied worden de heldendaden van de WestFrankische koning Lodewijk III in 881 tegen de Noormannen bezongen. Vooral de ridderroman werd erg populair. 

Hierin werden verhalen verteld over de Trojaanse oorlog, Alexander de Grote of koning Arthur. Een ander geliefd onderwerp was de hoofse liefde: de liefde van een ridder voor een ideale vrouw. In de literatuur werd de vrouw op een voetstuk geplaatst, wat haaks stond op de werkelijkheid. Meestal was de ideale vrouw in de romans getrouwd of onbereikbaar doordat ze van een hogere stand was. De ridders in deze romans konden dan ook niks met hun hartstocht doen. Niet in de laatste plaats omdat deugd en kuisheid belangrijke hoofse normen en waarden waren.

Sociale structuur
In de tiende en elfde eeuw werden meerdere kleine grondgebieden samengevoegd tot grotere regionale rijken of vorstendommen. Deze rijkjes werden bestuurd door hertogen of graven, die veel macht hadden en min of meer zelfstandig regeerden over hun gebieden. Zo was er het graafschap Holland, het bisdom Utrecht, het graafschaphertogdom Gelre, het hertogdom Brabant en Friesland. In deze tijd verbeterde het klimaat en groeide de bevolking. Er moest meer voedsel worden geproduceerd. Hiervoor werden nieuwe gronden ontgonnen en werden er effectievere landbouwmethoden toegepast. De opbrengsten zorgden weer voor een toename in de handel en nijverheid. Steden groeiden door deze ontwikkelingen en er kwamen nieuwe bij. Steden als Deventer en Kampen werden lid van de Hanze, een internationale organisatie van kooplieden die de belangen van de aangesloten steden verdedigde. Hanzesteden werden rijk en machtig doordat ze allerlei rechten kregen van de regionale vorsten in ruil voor financiële steun voor oorlogen.
De burgers van de steden gingen samen met de boeren en de ambachtslieden een derde stand vormen, naast de eerste en tweede stand van de geestelijkheid en de adel. Ook de ridderstand kwam op, meestal mannen van adellijke afkomst, maar ook boerenzonen die in dienst stonden van rijke edelen. De ridders leefden in kastelen en behoorden tot een ridderorde. Tot de hoge middeleeuwen konden ridders andere militairen tot ridders slaan, maar rond de elfde eeuw konden uitsluitend edelen ridder worden. Er was een gedragscode voor de ridders waaraan ze zich moesten houden.

Ze moesten dapper zijn, eergevoel hebben en trouw zweren aan hun heer en het geloof. Het huidige salueren van soldaten stamt af van de riddertijd, waarin ridders hun vizier lichtten om hun gezicht te laten zien aan hun heer.

Arbeid
De middeleeuwse steden zagen er heel anders uit dan onze huidige steden. Ze waren natuurlijk veel kleiner, maar leken ook qua indeling nog totaal niet op steden van nu. In veel steden werd er bijvoorbeeld vee gehouden en werd er nog landbouw bedreven, net als op het platteland. De meeste mensen hadden een stukje grond bij hun huis, waar ze groenten konden verbouwen en waar vee kon grazen.

cultuurgeschiedenis
Brugge, België De historische kern is als middeleeuwse stad opgenomen op de werelderfgoedlijst van UNESCO.

Na verloop van tijd ging de handel een steeds grotere rol spelen en gingen ook steeds meer mensen in de nijverheid en ambachten werken.

Huisnijverheid, zoals weven, werd op steeds grotere schaal toegepast. Ambachtslieden als smeden kregen ook steeds meer werk. Ook de bierbrouwerij werd een belangrijke nijverheid in de Nederlanden. Veel steden en dorpen maakten hun eigen bier. Bier was al eeuwenlang de Nederlandse volksdrank bij uitstek. Het drinkwater was van zeer slechte kwaliteit en thee en koffie kende men in die tijd nog niet. Wijn was toentertijd een luxe product, dat alleen door de rijken genuttigd werd.

 

In die tijd ontstonden ook de zogenaamde gilden, verenigingen van dezelfde beroepsgroep die een vuist maakten tegen de fiscale lasten en regels opstelden voor onder andere salaris, de kwaliteit van het werk en de werktijden. In de elfde eeuw was het heel normaal dat er dertien tot vijftien uur op een dag gewerkt werd. ’s Winters waren de werktijden korter vanwege het daglicht. Werken bij kaarslicht was vanwege het brandgevaar geen optie.

In de Nederlanden waren veelvoorkomende beroepen die van kooplieden, schippers en vissers. Vooral de haringvisserij kwam veel voor. Om vlees en vis te bewaren werd dit vaak gezout. Hierdoor ontstond er met de visserij ook een nevenindustrie, die van de zoutraffinage. Dit werk werd vaak door vrouwen gedaan, die het zeewater kookten tot alleen het zout achterbleef.

cultuurgeschiedeniscultuurgeschiedenis

Links: Gildehuizen in Antwerpen. Een gildehuis was het gebouw waar het bestuur van een gilde gehuisvest was en waar de leden hun bijeenkomsten hielden.
Rechts: In de Waag in Amsterdam waren verschillende gilden gehuisvest, die ieder hun eigen ingang hadden.

Vrouwen
In de hoge middeleeuwen bleef de positie van de vrouw ondergeschikt aan die van de man. Toch verbeterde de positie van de vrouw wel iets. De kerk ging het huwelijk als een heilig sacrament beschouwen. De vrouw kon niet langer worden verstoten als ze geen kinderen kon krijgen. Het nageslacht was erg belangrijk, omdat de adel door het nageslacht familiemacht en bezittingen kon behouden. Voor de armere boeren waren kinderen belangrijk omdat ze mee konden helpen op het land. Daarnaast boden ze een soort pensioen. De kinderen zorgden op latere leeftijd voor de ouders, als zij niet langer konden werken. Toch trouwden veel mensen niet maar gingen in het klooster. Dit was een goed alternatief voor het huwelijk omdat het zekerheid en veiligheid bood.

Opvoeding en onderwijs
Kinderen werden in de hele middeleeuwen in de hogere kringen beschouwd als miniatuurvolwassenen. Dit is ook heel duidelijk te zien aan de kleding van de kinderen. Zodra een kind geen luiers meer nodig had, kreeg het dezelfde kleding aan als zijn ouders. Kruipen was niet beschaafd, omdat het te veel op het gedrag van een dier leek. Een kind moest dus zo snel mogelijk kunnen staan en lopen. Zodra een kind uit de wieg kwam, werd het in een ‘sta-stoel’ gezet, zodat het kon gaan oefenen met lopen. Als het kind eenmaal zelfstandig kon staan, werd het achter een looprekje geplaatst. Het kreeg dan een soort textielen helm op ter bescherming tegen het vallen. Als het kind dan ten slotte kon lopen, werd het met de kleren vastgenaaid aan een leiband, waardoor het niet te ver weg zou lopen. De meeste kinderen uit de lagere standen gingen in de hoge middeleeuwen vanaf een jaar of zeven op het land of als bediende werken. In de Nederlanden waren er toen nog heel weinig scholen. Het onderwijs werd bijna uitsluitend door de parochiekerken gegeven. Het onderwijs bestond nog steeds – net als in de oudheid – uit de zeven vrije kunsten. Lang niet alle kinderen kregen echter basisonderwijs. Het onderwijs was maar voor een aantal veelbelovende jongens en meisjes weggelegd. Pas vanaf de dertiende eeuw leerden steeds meer mensen lezen en schrijven. Het onderwijs voor de jongens was veel uitgebreider dan voor de meisjes.

Meisjes leerden net genoeg om een boekhouding te kunnen bijhouden. Daarnaast leerden ze spinnen en weven en het huishouden runnen. De meerderheid van de kinderen in de steden ging na het basisonderwijs in de leer bij een ervaren ambachtsman. De rijke jongens gingen in de leer bij een bankier, jurist of handelaar, terwijl de armere jongens naar bedrijven als smederijen en timmerwerkplaatsen gingen. Een minderheid van de kinderen kreeg na het basisonderwijs nog vervolgonderwijs op de universiteiten in Leuven, Parijs, Orléans of Bologna. Hier konden ze theologie, filosofie, rechten of medicijnen studeren.

Woningbouw
De huizen waren in de hoge middeleeuwen over het algemeen van leem, stro of hout. Ook de kastelen van de adel waren van hout. Pas in 1200 werden de meeste kastelen van steen gebouwd. Op het platteland stonden veel kleine en een aantal grote boerderijen. De voorruimte van de boerderij was bestemd als woonhuis. Achterin was ruimte voor het vee. Ook kwam het vaak voor dat de mensen samen met het vee één ruimte deelden. De vloeren waren gemaakt van leem en midden in het dak zat een gat, dat als schoorsteen diende. Recht onder deze opening werd vuur gestookt voor het eten en warmte. Later werden de huizen van hout gemaakt. Veel huizen hadden geen glas in de ramen omdat dit te duur was. Hierdoor waren de huizen in de winter vaak erg koud en tochtig. Er stonden weinig meubels in de vertrekken. ’s Avonds werden er kaarsen gebrand als verlichting. Dit betekende echter constant brandgevaar in de steden. De mensen gingen hierdoor over het algemeen vroeg naar bed, vlak na zonsondergang. 

Mode
De mensen droegen in de middeleeuwen een tunica, een lang hemd van wol of linnen. Alleen bij de rijken waren ze van zijde of katoen gemaakt. Dit hemd werd gebruikt als ondergoed en als nachtkleding. Boeren droegen over dit hemd eenvoudige en praktische kleding. Zowel mannen als vrouwen, ongeacht de stand, droegen de tunica’s. In die tijd werden de mensen als straf wel eens letterlijk in het hemd gezet. Dit was een enorme schande! Waarschijnlijk komt onze uitdrukking van ‘in je hemd gezet worden’ hier nog vandaan. 

De adel gaf veel geld uit aan mode en aan prachtige dure stoffen. In deze tijd gold er overigens een heel ander schoonheidsideaal dan nu. Vrouwen hadden het perfecte lichaam als ze een lage dikke buik hadden (peervormig). 

4.3 Het Byzantijnse Rijk: late middeleeuwen

cultuurgeschiedenisNa de val van het West-Romeinse Rijk bleef het Byzantijnse Rijk bestaan en werd het juist nog rijker. Het werd in 330 door keizer Constantijn gesticht en heeft bestaan tot 1453. De verhalen gingen dat in de hoofdstad Constantinopel, het huidige Istanbul, alles te koop was. Van zijde uit het Oosten tot exotische producten uit Afrika. Constantinopel had gouden tronen en zuilengalerijen, zilveren boten, zijden tapijten, met edelsteen en goud bezette christelijke afbeeldingen, heel veel marmer en zalen van purpersteen. Het was het eerste grote christelijke keizerrijk. De keizers waren absolute heersers en werden gezien als de plaatsvervanger van God op aarde. De Aya Sophia was dé kerk van Constantinopel, in het midden van de stad. Het bezat meerdere relikwieën van heiligen en was daardoor bekend over de hele wereld. Het keizerlijk paleis vlak bij de Aya Sophia omvatte tientallen gebouwen en kerken. Door alle weelde werd het Het Gouden Paleis genoemd.

Ottomanen
Aan het begin van de late middeleeuwen had de stad Constantinopel geen grote legers, maar wel een enorme vestingmuur en een goed politiek bestuurssysteem. Hierdoor was een leger ook niet nodig, het geloof zorgde voor veel eenheid en ontzag in het rijk. Toch heeft het geloof een eeuw lang gezorgd voor verdeeldheid in het rijk. In de achtste eeuw verboden de keizers afbeeldingen van heiligen. Ze dachten namelijk dat Jezus tegen deze afbeeldingen was omdat de mensen de afbeeldingen gingen vereren in plaats van God zelf. Een van de tien geboden was immers: “Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen.”

De keizers lieten zo’n honderd jaar lang alle afbeeldingen van heiligen op beelden, mozaieken en gebouwen vernietigen. Niet iedereen was het eens met dit iconoclasme, zoals het vernietigen van de afbeeldingen wel genoemd werd. Voorstanders van de afbeeldingen werden opgepakt, verbrand en verminkt. De emoties liepen bij de beeldenstrijd zo hoog op dat de vrouw van de keizer haar zoon er zelfs de ogen voor uitstak toen hij keizer werd. Zij was vóór de afbeeldingen en als de keizer blind was, kon hij niet zien dat zij de beelden weer herstelde. Toen tijdens de kruistochten de West-Europese kruisvaarders Constantinopel binnenkwamen, werden ze overweldigd door de overvloed van goud en rijkdommen. Vooral de kooplieden van Venetië probeerden wat van deze weelde voor zichzelf binnen te halen. Ze mochten eind elfde eeuw in Constantinopel verblijven en hoefden geen handelsbelasting te betalen omdat ze geholpen hadden tegen eerdere aanvallen van de Noormannen. Toen zij een eeuw later meer macht wilden verkrijgen binnen het Byzantijnse Rijk werden zij toch verdreven. De Venetianen gebruikten daarop in 1204 het leger van de vierde kruistocht om Constantinopel in te nemen en te plunderen. Het rijk wankelde, maar bleef wel bestaan. In 1453 viel het alsnog door de herhaalde invallen van de Turkse Ottomanen. In die tijd was er al niet meer zoveel over van het eens zo machtige rijk. Alleen het gebied rond Constantinopel en het zuiden van Griekenland waren nog overgebleven. Op het hoogtepunt van de macht omvatte het rijk heel Oost-Europa (inclusief Griekenland), het zuiden van Spanje, delen van Italië, Noord-Afrika en Klein-Azië.

Sociale structuur
De West-Europeanen die in het Byzantijnse Rijk kwamen, verwonderden zich ook over de enorme macht van de keizer. De keizer mengde zich zelfs in het kerkelijke leven zonder op weerstand te stuiten van de kerk. Een strijd tussen de paus en koning of keizer, zoals in het Westen, was er in Constantinopel eenvoudigweg niet. De keizers deden overigens ook hun best om het ontzag van de buitenlandse gasten voor henzelf en het rijk zo groot mogelijk te laten zijn. Ze lieten de gasten bijvoorbeeld lang wachten tot ze bij de keizer mochten komen, en de gasten werden eerst door een labyrint van paleisgangen geleid voor ze bij hem aankwamen. Daarna moesten ze uit eerbied, net als de onderdanen overigens, languit voor de keizer gaan liggen. Daarna konden ze de keizer pas aankijken. 

Deze zat op zijn troon in zijn witte gewaden en purperen schoenen. Pas daarna sprak de keizer met hen en dan ook nog via een tussenpersoon. Aan het keizerlijk hof heerste een strenge hiërarchie. Bovenaan stond natuurlijk de keizer. Daaronder stond de rest van de overheid, die gerangschikt werd op basis van burgerlijke of militaire ambten. Onder de aristocratie van hoogwaardigheidsbekleders stond in de late middeleeuwen in de steden een middenklasse van rijke kooplieden en ambtenaren met lagere functies. Verder naar beneden op de sociale ladders stonden de handelaren, vaklieden en de boeren. Helemaal onderaan stonden de slaven.

Arbeid
In de late middeleeuwen was het keizerrijk geslonken tot een gebied met enkele steden, waarvan Constantinopel de grootste was. Het platteland bestond uit veel dorpen, waarin de boeren samenwerkten en weidegronden deelden. De aristocratie leidde een geheel afgescheiden leven van de boeren. Ze deden weinig, als ze genoeg inkomsten kregen uit hun landgoederen. De meeste leden van de aristocratie woonden in de stad waar ze zich ontspanden, maar ook publieke functies vervulden zoals in de senaat. In de steden waren er naast bestuursfuncties allerlei beroepen mogelijk als handelaar, timmerman, winkelier, kapper en visser. Een voornaam product uit Constantinopel was zijde. Vooral purperen zijde genoot groot aanzien en werd speciaal voor de keizer vervaardigd. De meeste nijverheid was echter kleinschalig. Er waren veel kleine ondernemingen die werkplaats en winkel tegelijk waren. Net als in West-Europa waren de ambachten in het Byzantijnse Rijk ook verenigd in gilden. Maar niet alle ambachten deden hieraan mee. 

Onderwijs
In het Byzantijnse Rijk was er alleen onderwijs voor de kinderen van de aristocratie. De kinderen leerden eerst twee tot drie jaar de Griekse grammatica door stukken van de Griekse oudheid en religieuze documenten te lezen. Het basisonderwijs was particulier en de ouders moesten het dus zelf voor hun kinderen betalen. Wanneer de kinderen tien of elf jaar oud waren, gingen ze naar de middelbare school. In de grote plattelandssteden waren er bijna geen middelbare scholen. 

De mensen stuurden hun kinderen dan vaak naar familieleden in Constantinopel om daar naar school te gaan. Arme families konden de kinderen vaak niet naar de hoofdstad sturen, omdat dit te duur was. De kinderen zaten tot hun achttiende op school. Ze leerden grammatica, poëzie en het houden van voordrachten. Het doel was om de Griekse taal goed te kunnen beheersen. De oudste kinderen kregen les van een meester en ze gaven op hun beurt weer les aan de jongste kinderen. Na de middelbare school konden de leerlingen naar de universiteiten. Hier werden ze onderwezen in filosofie, astronomie, meetkunde en grammatica. In de late middeleeuwen bestond er echter geen hoger onderwijs meer en verdwenen de universiteiten.

Woningbouw
In de steden woonde de aristocratie in grote paleizen. Deze hadden tuinen en binnenhoven met zuilengalerijen. Ook waren er enorme zalen en grote kamers. De paleizen waren voorzien van alle comfort, zoals baden. De stedelingen woonden in kleine donkere woningen, waar het leven oncomfortabel was. Veel mensen woonden boven een werkplaats. Er waren relatief weinig woonblokken, zoals in Rome tijdens de oudheid. De buitenwijken waren over het algemeen arm in tegenstelling tot het rijke centrum. Veel mensen gooiden hun vuil gewoon uit het raam op straat. De steden waren ruim opgezet en er was relatief veel groen, door de vele tuinen en kleine akkers. Op het platteland stonden de boerenhuizen dicht bij elkaar in de dorpen. De huizen waren van steen en hadden vaak meerdere verdiepingen. Boven woonden de mensen en beneden stonden de dieren en werden het gereedschap en de oogst bewaard. De aristocratie op het platteland leefde meestal buiten het dorp in enorme woningen met binnenplaatsen en zuilengalerijen. Deze woningen werden villae genoemd. 

Eten en drinken
De Byzantijnen aten volgens het zogenaamde ‘mediterrane dieet’. Dit dieet bestond voornamelijk uit veel vis, wijn, graan, kaas, groenten en olijven. Vooral dikke gele vissoep met dille was een geliefde maaltijd. Van het Hippodrome van Constantinopel zijn vrijwel geen resten over, waar het gebouw stond loopt nu een weg. 

De twee obelisken die op de spina stonden het midden van de renbaan waar de wagen omheen moesten rijden zijn bewaard gebleven. 

Vermaak
Voor vertier keek de bevolking van Constantinopel graag naar de wagenrennen in het hippodroom, een kopie van het Circus Maximus in Rome. Er was plaats op de marmeren tribunes voor 30.000 tot 50.000 toeschouwers. Tot in de late middeleeuwen werd elke keizerlijke verjaardag en overwinning gevierd met de wagenrennen. Naast de wagenrennen werden er ook allerlei circusnummers opgevoerd in het Hippodroom. Ook keken de mensen graag naar toneelvoorstellingen en voorstellingen met dieren. 

Samenvatting
De middeleeuwen waren een periode waarin belangrijke vernieuwingen plaatsvonden, zoals de molen, en verbeteringen op het gebied van de landbouw. Voor het gemak delen historici de duizend jaar vaak op in drie perioden: de vroege middeleeuwen, de hoge middeleeuwen en de late middeleeuwen. In al deze perioden hebben er grote rijken bestaan in Europa. In de vroege middeleeuwen waren er twee grote rijken: het Frankenrijk van Karel de Grote en het Byzantijnse Rijk. Dit Byzantijnse Rijk bleef tot in de late middeleeuwen bestaan. In de hoge middeleeuwen kwam een fenomeen terug van weg geweest: de stad. De steden van het Nederlandse Vlaanderen waren bijvoorbeeld machtig in die tijd vanwege hun lakennijverheid. Dit had een enorme impact op het leven. Veel nieuwe industrieën konden ontstaan en de steden en hun burgers kregen veel macht. In dit hoofdstuk zijn drie verschillende culturen behandeld. Elk van deze culturen vertegenwoordigde ook een periode van de middeleeuwen. De Franken waren het machtigste volk van de vroege middeleeuwen. De Nederlanden waren economisch machtig in de hoge middeleeuwen, met Vlaanderen als graafschap met machtige handelssteden. En tot slot was er het rijke Byzantijnse Rijk, dat in de late middeleeuwen juist in verval raakte.

De middeleeuwse maatschappij was opgedeeld in verschillende standen. De Franken waren de grondleggers van de feodale standenmaatschappij, die eeuwen bleef bestaan. Dit betekende dat grootgrondbezitters (de heren) grond in leen gaven aan boeren, die deze grond moesten bewerken, hier belastingen over moesten betalen aan de heer en trouw moesten blijven aan die heer. Hieruit ontstonden uiteindelijk de drie standen van geestelijkheid, adel en boeren. In de hoge middelleeuwen bestonden er in de Nederlanden, en in heel West-Europa overigens nog steeds, de drie standen, maar veranderde de samenstelling van de derde stand. Deze stand werd vanaf die tijd vertegenwoordigd door de burgers van de steden, de boeren en de ambachtslieden.

In Oost-Europa was de maatschappij van het Byzantijnse Rijk ook in standen verdeeld. Deze standen waren echter gebaseerd op de functies die de mensen bekleedden in de maatschappij.

Ben je na het volgen van de proefles enthousiast geworden?

Je kunt elke dag starten met de cursus Cultuurgeschiedenis dus zet vandaag nog de eerste stap!

8 redenen om bij het NTI te studeren

  1. Erkende opleidingen, gewaardeerd in het bedrijfsleven
  2. Prettige en deskundige begeleiding door ervaren docenten
  3. Voordelig lesgeld
  4. Flexibel studeren
  5. Studeren met veel persoonlijk contact
  6. Modern studeren via onze online leeromgeving
  7. Persoonlijke studiebegeleiding van een mentor
  8. Studeren op kosten van de werkgever en/of de fiscus

Het nieuwe studeren begint hier

Bij het NTI studeer je op je eigen manier. Je kunt op ieder gewenst moment met de opleiding van je keuze beginnen. Dankzij het nieuwe studeren, bepaal je zelf waar en wanneer je studeert. Het nieuwe studeren brengt nog meer voordelen met zich mee. Het is de ideale combinatie van online thuisstudie en klassikale bijeenkomsten. Je volgt thuis een opleiding en je maakt gebruik van moderne studiemethodes waaronder de online leeromgeving, waar je contact met andere studenten en docenten hebt, e-modules, interactieve opdrachten en video-instructies. Hiernaast worden tijdens een groot deel van de opleidingen enkele praktijkdagen en/of workshops georganiseerd.

 

1 / 23