Proefles HBO Bachelor Bouwkunde Klassikaal

Wat leuk dat je geïnteresseerd bent in HBO Bachelor Bouwkunde Klassikaal van Hogeschool NTI. De opleiding is opgebouwd uit verschillende modules. We geven je met deze proefles een kijkje in twee modules van de opleiding:

1. Module: Algemene bouwkunde (kennisclip)
2. Module: Architectuur en technisch tekenen (theorie + vragen)

Je start zo direct met een kennisclip. Daarna lees je een interessant stuk uit het boek Ontwerp en analyse. Na het lezen van de lesstof kun je jezelf testen door vragen te beantwoorden. Uiteraard krijg je de antwoorden later in de proefles. Heb je nog vragen? Neem gerust contact met ons op.

Succes en plezier met de proefles van HBO Bachelor Bouwkunde Klassikaal.

HBO Studieadvies


Start de proefles

De onderstaande kennisclip gaat over funderingen en is afkomstig uit de module Algemene bouwkunde. Elke module die je volgt bij Hogeschool NTI bevat meerdere video's waarin belangrijke onderwerpen uit de module worden uitgelegd.


Theorie literatuur

Module: Architectuur en technisch tekenen

Je gaat nu een deel lezen, afkomstig uit het boek: Leupen, B. (2013) Ontwerp en analyse. Nai010 uitgevers. ISBN: 9789462080669.

Cover Ontwerp en analyse Bouwkunde

De basisprojecties

Een tekening geeft slechts een beperkte weergave, het is een abstractie van de werkelijkheid. Elke analyse vergt zijn eigen tekenwijze. Voordat de diverse soorten analyse-tekeningen worden besproken, volgt hier eerst een overzicht van verschillende tekenwijzen en de verschillende manieren van projecteren zoals deze worden gebruikt bij de uitoefening van de architectonische, stedenbouwkundige en landschapskundige vakgebieden. Er zijn twee hoofdgroepen, te weten parallelprojecties, ook wel aangeduid als axonometrieën en convergerende projecties of perspectieven.

Parallelprojecties [axonometrieën]
Het kenmerk van de parallelprojectie is dat het te tekenen object of gebied met evenwijdige lijnen wordt geprojecteerd op het beeldvlak. De volgende parallelprojecties zijn te onderscheiden:

  1. Orthografische projecties, onder te verdelen in: metrische of platte projecties, zoals aanzichten, plattegronden, doorsneden en topografische kaarten (tekening 2) en verhoudingsprojecties (projecties onder een hoek) zoals de isometrie, dimetrie en de trimetrie. (tekening 3)
  2. Oblique projecties, zoals de planometrie, cavalière projectie en kabinetprojectie. Bij deze projecties wordt een vlak van het object geprojecteerd als metrisch aanzicht, de overige vlakken als ‘scheve’ projecties. (tekening 4)

Bouwkunde Tekening 1 tot 5 

Orthografische projecties
De metrische projectie
Bij de metrische of platte projectie wordt het object of gebied onvervormd en plat weergegeven. Het object of gebied wordt getekend alsof men er vanuit het oneindige loodrecht op of tegen aankijkt. Men gebruikt deze projectiemethode ten behoeve van topografische kaarten, profielen (stedenbouwkundige of landschapskundige doorsneden), plattegronden, doorsneden, aanzichten en gevels van gebouwen. Bij het tekenen van een doorsnede of plattegrond snijdt men respectievelijk verticaal dan wel horizontaal een deel van het gebouw weg en kijkt er vervolgens vanuit het oneindige loodrecht tegen aan. In de tekening worden de doorgesneden onderdelen aangegeven met een dikke lijn of een gearceerd of egaal gekleurd vlak. De delen van het gebouw die vanuit het gekozen standpunt zichtbaar zijn, worden met een dunnere lijn weergegeven.

Daar het object onvervormd (plat) wordt weergegeven, leent deze zeer veel gebruikte wijze van projecteren zich bij uitstek voor het tekenen op schaal en is daarmee geëigend voor werktekeningen, contractstukken als bestektekeningen, maar ook als zakelijke informatie verschaffende tekeningen voor diverse doelen. De toeschouwer dient zich echter bij dit soort tekeningen zelf een ruimtelijke voorstelling van het object te maken. (tekening 5)

Verhoudingsprojectie
Hieronder vallen de isometrie, dimetrie en trimetrie. Het object wordt onder een hoek geprojecteerd. Het resultaat geeft een ruimtelijke indruk van het getekende object.

Bouwkunde Tekening 5 tot 8

Oblique projecties
Onder de oblique projectie valt onder meer de planometrie, de cavalière projectie en kabinetprojectie. Bij deze projecties wordt het object in twee richtingen tegelijkertijd geprojecteerd. Een van de vlakken wordt in metrisch aanzicht geprojecteerd, de overige vlakken in 'scheve' projectie. Het resultaat is een weliswaar vertekend maar toch ruimtelijk beeld.

Planometrie
Ten onrechte duidt men deze projectie vaak aan als axonometrie. Dit is echter de verzamelnaam voor parallelprojecties. (tekening 9) Planometrie is een zeer veel gebruikte en eenvoudig uit te voeren projectiemethode.

Het grondvlak of bovenvlak, in metrisch aanzicht, wordt onder een willekeurige hoek geplaatst (bijvoorbeeld 30 of 60 graden); de verticalen, al dan niet verkort, worden verticaal getekend. Planometrische tekeningen verduidelijken de relatie tussen plattegrond en opstanden.

Cavalière en kabinet
Bij deze projectiewijze wordt een van de zijvlakken in metrisch aanzicht weergegeven, terwijl alle overige vlakken, al dan niet verkort, in scheve projectie worden weergegeven. Deze tekeningen maken de relatie tussen doorsnede en gevel duidelijk.

Convergerende projecties [perspectieven]
Het kenmerk van de convergerende projectie is dat het te tekenen object vanuit een gekozen standpunt (het oog) via de loop van oogstralen op een beeldvlak wordt geprojecteerd. (tekening 11)

In het algemeen kunnen perspectieven een ruimtelijk beeld van een object weergeven dat in hoge mate overeenstemt met het beeld dat een beschouwer van de werkelijkheid zou kunnen krijgen.
Daarbij moet men zich realiseren dat het standpunt van de beschouwer gefixeerd is.

Perspectieven zijn naar de projectiemethode en het daarbij gebruikte aantal verdwijnpunten te verdelen in drie groepen: de eenpunts- of centraal perspectieven, de tweepuntsperspectieven en de driepuntsperspectieven. De projectie die wordt gekozen, is afhankelijk van het doel dat men bij het analyseren voor ogen heeft. Een reeks centraalperspectieven bijvoorbeeld zou heel goed een route door een Engels landschapspark kunnen illustreren. Daarnaast zijn de perspectieven nader onder te verdelen naar de hoogte van het oog van de beschouwer. Zo onderscheidt men onder meer vogelvluchtperspectief en laagstandpuntsperspectief.

 

Bouwkunde Tekening 8 13

Eenpuntsperspectief [centraalperspectief, tekening 12]
Bij het tekenen van een eenpuntsperspectief kiest men een standpunt waarbij men loodrecht op of in het te tekenen object kijkt. Zo kan bijvoorbeeld een op schaal getekende doorsnede of gevel als uitgangspunt voor de eenpuntsperspectief worden genomen, alleen de verkorting van de dieptematen moet geschat of geconstrueerd worden. Bij de eenpuntsvogelvluchtperspectief bevindt het standpunt (oog) hoog ten opzichte van het object of landschap. Bij de eenpuntslaagstandpuntperspectief wordt het standpunt van het oog bijvoorbeeld gelijk aan die van een staande persoon genomen.

Twee- en driepuntsperspectief
Bij een tweepuntsperspectief kijkt de beschouwer onder een hoek naar het te tekenen object. Ook hier geldt weer dat het standpunt van het oog zich bij de tweepuntsvogelvluchtperspectief hoog ten opzichte van het object of landschap bevindt en op ooghoogte bij een laagstandpunttweepuntsperspectief.
Het voordeel van de tweepuntsperspectief is dat het de beschouwer een realistisch ruimtelijk beeld geeft van het object. Het nadeel is dat in twee richtingen de verkorting van de zijvlakken geschat of geconstrueerd moet worden. Deze verkorting heeft een direct verband met de hoek waaronder het vlak zichtbaar is (bijvoorbeeld in tekening 13 geeft een grote hoek links een grote verkorting van het betreffende zijvlak). Om de samenhang te illustreren, zijn beide soorten perspectieftekeningen (laag en hoog standpunt) boven elkaar getekend (zie tekening 12 en 13). In beide gevallen zijn de verticalen even groot en blijven ze in elkaars verlengde lopen. Het is aan te raden bij het uit de hand tekenen van dit soort perspectieven, eerst een vogelvluchtperspectief te tekenen. De daaruit verkregen gegevens, zoals de plaats van de verdwijnpunten en de plaats en verkorting van de verticalen zijn goed bruikbaar voor de lagere standpuntperspectieven.

Van distributie naar compositie

Een van de hoogtepunten van de Beaux-Arts-architectuur is de door Charles Garnier ontworpen nieuwe opera van Parijs. Als onderdeel van het omvormingsproces van Parijs onder Napoleon III en de prefect van het departement Seine, Haussmann, ontstond in 1857 het idee om een prijsvraag uit te schrijven voor het ontwerp van een nieuwe opera. In 1874 werd het winnende ontwerp van Garnier gerealiseerd. In hoofdlijnen bezit het gebouw alle kenmerken die zo typerend zijn voor de negentiende eeuw: een helder georganiseerde plattegrond die volgens toen geldende klassieke compositieregels is opgezet in een ordening in traveeën met een symmetrische opbouw rond een hoofd- of systeemas.

Afbeelding 1 Bouwkunde

Tony Garnier, Opera, Parijs, 1878
Doorsnede van de Opera in Parijs

Hoewel het gebouw gekenmerkt wordt door een overdaad aan ruimtereeksen (enfillade) en ornamentiek blijft het klassieke systeem op het eerste gezicht gehandhaafd. Er zijn in het ontwerp van de Opera van Parijs echter enkele aspecten aanwezig die nieuw zijn. Het betreft hier een verschuiving in aandacht van de architect voor bepaalde aspecten van de ruimtelijke compositie.

Compositie
In de geschiedenis van de Beaux-Arts is er sprake van een verschuiving in de wijze waarop de plattegrond wordt georganiseerd en het daartoe gehanteerde begrippenkader. Aanvankelijk gebruikte men de van Vitruvius afgeleide begrippen distribution en disposition om de opbouw en de ordening van het ontwerp aan te duiden. Het al sinds de renaissance in de schilderkunst gebruikte begrip composition doet in de tweede helft van de negentiende eeuw zijn intrede in het architectuurdebat aan de Beaux-Arts. Dit begrip valt te vertalen met het in dit hoofdstuk al vaker gehanteerde begrip compositie.

De opkomst van het begrip compositie gaat gepaard met een andere wijze van ontwerpen. Tot dan toe was het ontwerpen van de hoofdopzet van een gebouw overwegend een kwestie van het verdelen van de ruimten (distributie) over het gehele bouwvolume volgens het klassieke patroon met traveeën en symmetrie. De nieuwe bouwopgaven met grotere en vooral complexere progamma's die de opkomende negentiende-eeuwse metropool met zich meebracht, stelden nieuwe eisen aan het ontwerp. De omvang en de complexiteit leidden ertoe dat gebouwen ontworpen werden als een samenstel of 'compositie' van massa's en ruimten. De hoofdopzet van een gebouw was niet langer in hoofdzaak te realiseren langs een proces van opdelen en verdelen van een geheel. Het samenvoegen van delen, het componeren met elementen ging een steeds belangrijkere rol spelen.

Daarnaast heeft de begripsverschuiving van distribution naar composition nog een ander betekenis. Gold de ordening van het ontwerp in de renaissance als een ordening naar het goddelijke en enig ware model, in de loop der eeuwen had de persoonlijke en individuele profilering van de ontwerper een steeds grotere invloed op het ontwerp gekregen. Dit gegeven valt duidelijk af te lezen uit de vele architectuurprijsvragen waarbij originaliteit in de compositie een belangrijk element was. (Een ontwikkeling die zich tot op de dag van vandaag voortzet.)

Parti
Parallel aan de opkomst van het begrip compositie wordt het begrip parti geïntroduceerd. Het begrip parti, dat is afgeleid van het Franse ‘prendre parti’ (een keuze maken), heeft betrekking op de hoofdopzet van het plan, tegenwoordig praten we ook wel over planconcept, waarmee de eerste opzet van het ontwerp wordt bedoeld. Het nieuwe begrip parti was nodig omdat de hoofdopzet van het plan niet meer te beschrijven was vanuit de totale bouwmassa, het aantal traveeën en de gebruikte zuilenorde.

Het ontwerp voor de Opera in Parijs markeert in zekere zin een overgangsfase in de architectuur. Oppervlakkig beschouwd valt het nog te kenschetsen als één volume. Een beeld dat echter door de toegevoegde entreepartijen aan de oost- en westzijde, door het prononceren van de toneeltoren en de lantaren boven het beroemde trappenhuis, gedeeltelijk uiteenvalt. Vanbinnen is het ontwerp zeker niet op te vatten als een eenvoudige distributie van ruimten binnen een geheel. De complexiteit van de reeks hoofdruimten zoals de foyer, het trappenhuis en de grote zaal maken het ontwerpen tot 'componeren' van ruimten.

Afbeelding 2 Bouwkunde

Tony Garnier, Opera, Parijs, 1878
Trappenhuis van de Opera in Parijs

Marche
Een derde begrip dat in de negentiende eeuw zijn intrede deed is het begrip marche. Marche betekent letterlijk plaats waar de voet gezet wordt, schrede, stap voorwaarts. In het jargon van de Beaux-Arts duidt het begrip marche op de uitwerking van het ontwerp, de opeenvolging van ruimten beschouwd vanuit de beweging door het gebouw. Vanuit de marche ervaart men de kracht van de aaneenrijging van ruimten, de enfillade en de wisseling in karakter tussen de verschillende ruimten.

In de Opera is de marche niet alleen ingezet als een horizontale lineaire looplijn die de enfillade benadrukt, maar tevens als een vrije route die zich via trappen naar boven slingert. Hier is de invloed te bespeuren van de picturale route uit de Engelse landschapsstijl.

Het trappenhuis van de opera is het hoogtepunt van Garniers ontwerp. Het ontmoeten, het elkaar zien en bekijken is hier door Garnier gedramatiseerd. Met deze befaamde trappen waar de mensen naar boven schrijden en flaneren heeft Garnier een schouwspel gecreëerd dat de aandacht voor het spektakel in de grote toneelzaal dreigt te verdringen.


Vragen

Ben je benieuwd of je de theorie goed hebt begrepen? Maak dan de onderstaande vragen over de theorie die je net gelezen hebt. De antwoorden komen later in de proefles terug.

Vraag 1: Welke twee basisprojecties zijn van belang bij het maken van analyses?

Vraag 2: Noem een aantal kenmerken die typerend zijn voor het Operagebouw van Garnier en voor de 19e-eeuwse architectuur.


Studeren op jouw moment

Bij NTI kun jij studeren wanneer het jou uitkomt. Je start met een opleiding wanneer jij dat wilt. Je bepaalt zelf waar en wanneer je studeert in een online leeromgeving en met echte studieboeken. Zo kun jij een opleiding goed combineren met een drukke baan, hobby’s en gezinsleven. Dus echt studeren op jouw moment.


Bekijk hier de antwoorden

Onderstaand kun je jouw antwoorden controleren.

Vraag 1: Welke twee basisprojecties zijn van belang bij het maken van analyses?

Parallelprojecties (hieronder vallen orthografische projecten en oblique projecties) en convergerende projecties (1-puntsperspectief, 2-en 3-puntsperspectief).

Vraag 2: Noem een aantal kenmerken die typerend zijn voor het Operagebouw van Garnier en voor de 19e-eeuwse architectuur.

De volgende punten kenmerken het Operagebouw van Garnier en de architectuur uit de 19e eeuw.

  • Een heldere en georganiseerde plattegrond.
  • Het toepassen van klassieke compositieregels.
  • Ordening door middel van traveeën.
  • Symmetrische opbouw rond een hoofdas en systeem-as.

Ben je na het volgen van de proefles enthousiast geworden?

Je kunt twee keer in het jaar starten met de HBO Bachelor Bouwkunde Klassikaal, bekijk de opleidingspagina voor meer informatie.

Daarom studeer jij bij NTI op jouw moment

  1. Erkende opleidingen, bekende naam
  2. Studeren met veel persoonlijk contact
  3. Voordelig studeren, transparant over kosten
  4. Flexibel studeren
  5. Overal studeren met onze online leeromgeving
  6. Persoonlijke begeleiding door mentoren en ervaren docenten
  7. Werkgevers zijn snel overtuigd

Neem gerust contact met ons op, als je nog vragen hebt. Succes met het kiezen van je studie!

1 / 1