MBO-module Nederlands 3F

Proefles: MBO-module Nederlands 3F

Leuk dat je een proefles hebt aangevraagd! Tijdens deze proefles krijg je een indruk van de MBO-module Nederlands 3F. Ook krijg je een aantal vragen over de stof. Verderop in de proefles kun je je vragen nakijken. Mocht je vragen hebben, neem dan gerust contact met ons op. Succes en veel plezier met je proefles!.


Theorie

Tijdens de MBO-module Nederlands 3F leer en werk je uit het boek Competent Nederlands 3F. Lezen, schrijven, spreken en luisteren staan centraal. Bij dit boek hoort ook een dvd waarop geluidsfragmenten en filmpjes staan. In deze proefles maken we geen gebruik van deze dvd. Je neemt een kijkje in de theorie uit de onderdelen Lezen en Schrijven. Over de theorie uit het onderdeel Lezen beantwoord je 5 vragen, die je verderop in deze proefles kunt nakijken.

Onderdeel Lezen

1 Tekstinzicht

Inleiding

Welkom bij het eerste hoofdstuk van het onderdeel Lezen. In dit hoofdstuk behandelen we de basiskennis die je nodig hebt voor het lezen van een tekst. Je oefent aan de hand van een tekst wat het onderwerp en de hoofdgedachte van een tekst zijn, welke structuur een tekst heeft en hoe je verbanden kunt herkennen tussen zinnen en alinea’s.

Wanneer je zakelijke teksten zoals een artikel of een verslag leest, dan lees je anders dan wanneer je een goed boek of een verhaal leest. Bij zakelijke teksten wordt er van je verwacht dat je de tekst goed begrijpt.

Je begrijpt een zakelijke tekst beter als je de hoofdgedachte daarin herkent, als de structuur duidelijk voor je is en als je verbanden herkent tussen verschillende zinnen en alinea’s. Hiervoor moet je weten wat kernzinnen zijn, welke verbanden een tekst kan hebben en welke signaalwoorden hierbij horen.

1.1 Onderwerp en hoofdgedachte

Elke tekst gaat ergens over. Dat noemen we het onderwerpvan een tekst. Het onderwerp van een tekst kun je aangeven met één woord of met enkele woorden, bijvoorbeeld: het leven in de middeleeuwen of alcohol.

Over het onderwerp kan veel worden verteld. Zo kan een tekst met als onderwerp alcohol gaan over:

  • hoe alcohol wordt gefabriceerd;
  • het feit dat het alcoholgebruik de laatste jaren flink is toegenomen;
  • de sociale gevolgen van alcoholgebruik.

Wat er over het onderwerp wordt verteld, noemen we de hoofdgedachte van de tekst. De hoofdgedachte geeft in één zin weer waar de hele tekst over gaat.

Cursus Nederlands 3F


Voorbeelden

  • Het leven in de middeleeuwen was hard en moeilijk.
  • Het alcoholgebruik is de laatste twintig jaar fors toegenomen.
  • Roken is slecht voor de gezondheid.

1.2 De indeling van een tekst: inleiding, middenstuk, slot

Een goed geschreven tekst is meer dan een aantal willekeurige zinnen bij elkaar. In een volledige tekst heeft de schrijver de zinnen geordend, zodat de inhoud van de tekst goed tot zijn recht komt. Om voor meer duidelijkheid en structuur te zorgen maakt een schrijver gebruik van alinea’s. De zinnen over een kleiner deelonderwerp vormen samen een alinea.

Een tekst heeft altijd een vaste indeling. Elke tekst begint met een inleiding, daarna komt het middenstuk en een tekst eindigt altijd met een duidelijk slot.

Elke tekst heeft een titel. De titel van de tekst moet de lading dekken.Een goede titel moet uitnodigen tot lezen en geeft meestal een aanwijzing waar de tekst over gaat.

In de inleiding wordt het onderwerp van een tekst geïntroduceerd. De schrijver vertelt waar de tekst over gaat. Soms wordt de lezer nieuwsgierig gemaakt naar de rest van de tekst. Meestal bestaat de inleiding uit één alinea.

In het middenstuk worden de verschillende deelonderwerpen van het onderwerp belicht. Zo wordt het onderwerp van verschillende kanten bekeken. Meestal wordt er per alinea een deelonderwerp behandeld. Een middenstuk bestaat altijd uit enkele alinea’s.

Een tekst eindigt altijd met een slot. Meestal is dit één alinea. In het slot wordt nog eens samengevat wat er in de tekst is besproken. Ook kan de schrijver zijn conclusie geven. Met enkele afsluitende zinnen maakt de schrijver een einde aan zijn tekst.

1.3 Signaalwoorden en alineaverbanden

In een tekst staan alinea’s nooit zomaar in een willekeurige volgorde achter elkaar. De schrijver van een tekst heeft altijd nagedacht over de opbouw van zijn tekst. Er zijn vaak verbanden tussen de verschillende alinea’s van een tekst. Alinea’s staan in een logische volgorde en hebben met elkaar te maken. Deze verbanden kun je opsporen door te letten op de verschillende signaalwoorden. Deze woorden geven jou als lezer het signaal dat er sprake is van een verband in de tekst. Als je dit verband herkent, dan heb je ook beter zicht op de structuur van een tekst.


We kunnen een aantal soorten verbanden onderscheiden:

Tabel verbanden

1.4 Verwijswoorden

Mijn buurman is wel heel erg aardig. Hij wast elke zaterdag mijn auto. Met hij wordt mijn buurman bedoeld. Je kunt ook zeggen: hij verwijst naar mijn buurman.

In een tekst komen vaak verwijswoorden voor. Om een tekst goed te kunnen begrijpen moet je doorhebben waar de verwijswoorden naar verwijzen. Meestal verwijst een verwijswoord naar personen of zaken die al eerder in de tekst zijn genoemd. Soms verwijst een verwijswoord naar iets wat verder in de tekst staat. Voorbeeld: Dat is wat zij wil: reizen. Het verwijswoord dat verwijst naar reizen.

Nederlands leren

Verwijswoorden verwijzen naar een woord, woordgroep of zin eerder of later in de tekst.

Het kan ook voorkomen dat een verwijswoord naar een hele zin verwijst of naar een gedeelte van een zin. Voorbeelden: Typen vindt zij een leuke bezigheid. Begrijp je dat nou? Dat verwijst naar de voorafgaande zin: Typen vindt zij een leuke bezigheid.

1.5 De kernzin

Vaak geeft de eerste, de tweede of de laatste zin van een alinea aan waar die alinea over gaat. In die zinnen is de kern van de alinea aangegeven. Het is ook mogelijk dat de kern bestaat uit de eerste twee zinnen of de laatste twee zinnen tezamen. De zin die de kern van een alinea bevat, noemen we de kernzin. De plaats waar de kernzin meestal staat, heet de voorkeurplaats.

Bekijk de volgende alinea.

Diners Club heeft de eerste creditcard uitgevonden en daarna hebben vele organisaties in bijna elk land zich op dit wondermiddel gestort. Eerst was het mogelijk om zonder geld toch heerlijk te eten in restaurants, al gauw kwam American Express in de markt en kon men overal naartoe reizen met het plastic geld. Daarna werd het mogelijk geld op te nemen bij bankkantoren, auto’s te huren, kaartjes voor schouwburg of bioscoop te betalen of zelfs de tandarts. In de VS bestaat nu ook de Human Care creditcard, waarmee men niet alleen een ziekenhuisopname kan betalen – en bovendien korting kan krijgen op operaties – maar zelfs, indien nodig, de verzorging van de eigen uitvaart kan bekostigen. Creditcards zijn nu bruikbaar van de wieg tot het graf...

De kernzin van deze alinea is: Diners Club heeft de eerste creditcard uitgevonden en daarna hebben vele organisaties in bijna elk land zich op dit wondermiddel gestort.

Als de eerste zin van de alinea de kernzin is, dan is de rest van de alinea daarvan een uitwerking. Er volgt bijvoorbeeld een uitleg of er volgen details of voorbeelden. De schrijver kan de eerste zin ook gebruiken als brug naar de voorafgaande alinea. De belangrijkste mededeling kan dan in de tweede zin staan.

Helaas is niet elke tekst of alinea helder opgebouwd. Het komt voor dat de kernzin in een alinea ontbreekt. In dat geval zul je, met behulp van gegevens uit de alinea, zelf de kern moeten omschrijven. Soms staat de kernzin op een heel andere plaats dan we hebben geleerd of geeft de schrijver twee kernzinnen in één alinea. Maar nogmaals, als je met een goed geschreven tekst (en dus met goed opgebouwde alinea’s) te maken hebt, dan staat de kernzin op een van de bekende voorkeursplaatsen.

Als je de kernzinnen van de alinea’s op een rijtje zet, maak je eigenlijk een samenvatting van de tekst.

Samenvatting

Een tekst gaat ergens over. Dit noemen we het onderwerp van de tekst. Als je in een hele zin formuleert waar de tekst over gaat, dan heb je de hoofdgedachte. Boven een tekst staat altijd een titel. Deze nodigt uit tot lezen en geeft aan waar de tekst over gaat.
Een tekst heeft een inleiding, een middenstuk en een slot. Deze drie delen zijn weer opgebouwd uit alinea’s. Alinea’s hebben een kern(zin). Als je de kernzinnen uit de alinea’s van een tekst achter elkaar opschrijft, dan krijg je een samenvatting van de tekst.
Alinea’s staan in een logische volgorde en hebben met elkaar te maken. Deze verbanden kun je opsporen door te letten op verschillende signaalwoorden. Deze woorden geven jou als lezer het signaal dat er sprake is van een verband in de tekst.
In een tekst staan verwijswoorden. Deze slaan terug op een woord, woordgroep of zin die eerder in de tekst is genoemd.

Samenvatting


Aan de slag

Creditcard: de plastic wonderpas

  • Het verhaal gaat dat in 1950 de Amerikaanse miljonair Frank MacNamara in een restaurant zat te eten en bij het afrekenen merkte dat hij geen geld bij zich had. Frank MacNamara was een goede bekende in deze lokaliteit, daarom accepteerde de maître d’hotel een visitekaartje met het nog af te rekenen bedrag. De rekening werd later gestuurd en vereffend. MacNamara deelde nog wat visitekaartjes uit aan zeer goede vrienden om als ‘betaalmiddel’ te gebruiken. Na verloop van tijd kregen zij dan een rekening thuis via Frank. Het idee sloeg enorm aan en zo ontstond Diners Club. Betalen hoeft nu niet meer met contant geld: een plastic kaartje van 8,5 bij 5,5 centimeter is genoeg. De plastic wonderpas maakt het dagelijks miljoenen mensen mogelijk letterlijk te leven volgens het uit de VS overgewaaide motto: ‘Leef nu, betaal later’.
  • Diners Club heeft de eerste creditcard uitgevonden en sinds die tijd hebben vele organisaties in bijna ieder land zich op dit wondermiddel gestort. Was het eerst mogelijk om zonder geld toch heerlijk te eten in restaurants, al gauw kwam American Express in de markt en kon men overal naartoe reizen met het plastic geld. Daarna werd het mogelijk geld op te nemen bij bankkantoren, auto’s te huren, kaartjes voor schouwburg of bioscoop te betalen of zelfs de tandarts. In de VS bestaat nu ook de Human Care creditcard, waarmee men niet alleen een ziekenhuisopname kan betalen – en bovendien korting kan krijgen op operaties – maar zelfs, indien nodig, de verzorging van de eigen uitvaart kan bekostigen. Creditcards zijn nu bruikbaar van de wieg tot het graf...
  • Gebruikersvriendelijk is de creditcard zeker en dat verklaart deels zijn enorme populariteit. Maar voor degenen die niet weten wat een creditcard precies is, moeten we even uitleggen waar het om gaat. Wie ergens moet betalen en weet dat de winkelier, hotelier, autoverhuurder enzovoort de creditcard accepteert (bijvoorbeeld via een vignet op de voorruit), geeft zijn of haar card en ziet dan dat de winkelier deze door een apparaat haalt. De winkelier toetst het bedrag in en daarna komt er een dubbel bonnetje tevoorschijn met het cardnummer, het bedrag en de naam van de firma. De klant tekent, één bonnetje is voor de klant en klaar is Kees. Zo gemakkelijk gaat dat.
  • De voordelen van deze manier van betalen zijn na enig nadenken duidelijk. Allereerst voor de consument, die immers eigenlijk nauwelijks geld bij zich hoeft te hebben (behalve voor de taxi en dergelijke). Zonder geld kan iemand toch van alles bestellen en hij of zij kan ook niet meer zo makkelijk worden bestolen. De card kan natuurlijk wel worden gestolen, maar dat is een andere zaak waar we zo op terugkomen. Wie veel in het buitenland reist, hoeft ook geen vreemd geld meer te kopen met het daarbij behorende koersverlies, als je het overgebleven geld terugwisselt. Afgerekend wordt tegen het wisselmarkttarief en dat is veel gunstiger dan de koers van het bankpapier dat je aan de balie van de bank koopt. Er is nog een ander duidelijk voordeel: je betaalt nu met de creditcard en de rekening komt later. Je was in New York, maar de dollars die je daar hebt betaald met de card, zijn nu opeens tien eurocent minder waard. Dat betekent een leuk voordeel! En ten slotte: wie een auto wil huren en een creditcard laat zien van een erkende organisatie, hoeft meestal geen borgsom te storten. Hij of zij wordt meteen kredietwaardig geacht.
  • De andere kant is ook tevreden: de winkeliers dus en de hotelhouders en de autoverhuurders. Ze hoeven nooit wisselgeld terug te geven, dus dat scheelt weer schaars kasgeld. Ze worden zo ook minder aantrekkelijk voor het dievengilde. De creditcardorganisatie verlangt een bepaald percentage van het bestede bedrag, wisselend per branche. Bovendien moesten de winkeliers tot voor kort bij bedragen boven een bepaalde limiet altijd even bellen met de creditcardorganisatie om te kijken of de creditcard niet toevallig was gestolen of dat er iets mee aan de hand was. Dat kostte tijd en dat was lastig, maar tegenwoordig staan bijna overal computers die een continue verbinding hebben met de creditcardorganisatie en is het bellen verleden tijd.
  • Wie een creditcard heeft, kan heerlijk vrij besteden, maar niet alle benen kunnen die luxe dragen. Daarom krijgt niet iedereen zo’n verleidelijk stuk plastic. Men moet voldoen aan zekere inkomensvoorwaarden die per organisatie nogal verschillen. American Express en Diners Club zijn daarin nogal veeleisend. Visa en Eurocard al wat minder. Geen wonder dat bijvoorbeeld Visa de meest verbreide creditcard ter wereld is. Overigens is Visa wel een van de organisaties die een limiet hanteert die men met de creditcard mag uitgeven. Wordt die limiet overschreden, dan zit men in de moeilijkheden. Men moet dus wel steeds op zijn kredietlimiet letten. Bij andere kaarten geldt dat niet en kan men er zelfs miljoenen mee besteden.
  • De veiligheid van de creditcard is voor de organisaties een uiterst belangrijk punt. Zou die worden gestolen, dan zou de dief immers overal op jouw naam kunnen betalen. Maar als je de diefstal aangeeft, wordt de kaart meteen geblokkeerd via een wereldwijd systeem van de creditcardorganisaties. Er is een lijst met gestolen creditcards en een beloningssysteem voor iedereen die een gestolen creditcard te pakken krijgt en terug weet te bezorgen bij de organisatie. Grote uitgaven worden gecontroleerd doordat de winkelier belt naar de organisatie. Alleen als je je kaart hebt verloren, of hij is gestolen en je weet dat nog niet, gaat het mis. Dan kan er veel op je naam worden gekocht, hoewel er voor dit soort gevallen een verzekering bestaat die automatisch in werking treedt. Hoe dan ook, een creditcard is een waardevol ding en het is dus de moeite waard er goed op te passen.
  • Kijken we vooruit, dan zien we zowel de creditcard zelf als het gebruik ervan enigszins veranderen. Er zijn nu al creditcards met een soort chip erin gebakken. Dat is als het ware een minicomputertje, waarin allerlei gegevens over de houder van de creditcard zijn gestopt. Zo wordt het nog moeilijker het ding te vervalsen en wordt de veiligheid groter.

Bron: naar een artikel van P. Kes in Vast en Zeker


Vragen over het onderdeel Lezen

Ben je benieuwd of je de theorie uit het onderdeel Lezen goed hebt begrepen? Beantwoord dan de onderstaande vragen. De antwoorden komen later in de proefles terug.

1-1 Wat is de titel van de tekst?

1-2 Wat is het onderwerp van de tekst?

1-3
a. Welke alinea’s vormen de inleiding? Noteer de alineanummers.
b. Welke alinea’s vormen het middenstuk? Noteer de alineanummers.
c. En welke alinea’s vormen het slot? Noteer de alineanummers.

1-4
a. Waar vind je het vervolg van het signaalwoord allereerst (r. 35)?
b. Welk verband wordt aangegeven door nog een ander (r. 43)?

1-5 Wat is de kernzin van alinea 5?


Hoe studeer je bij NTI?

Dankzij het nieuwe studeren bepaal je zelf waar en wanneer je studeert. Het nieuwe studeren is de ideale combinatie tussen online en klassikaal onderwijs. De onderstaande video laat je het nieuwe studeren zien.


Bekijk de antwoorden

Onderstaand kun je jouw antwoorden controleren.

1-1 De titel van de tekst is ‘Creditcard: de plastic wonderpas’

1-2 Het onderwerp van de tekst is ‘de creditcard’.

1-3
a. Alinea’s 1 en 2 vormen de inleiding.
b. Alinea’s 3 t/m 7 vormen het middenstuk.
c. Alina 8 vormt het slot.

1-4
a. Het vervolg op het signaalwoord ‘allereerst’ is ‘De andere kant’, in de eerste regel van alinea 5.
b. Door ‘nog een ander’ wordt een opsommend verband aangeduid.

1-5 De kernzin van alinea 5 is de eerste zin, van ‘De andere kant…autoverhuurders’.


Theorie

Onderdeel Schrijven

Je hebt nu een indruk van het thema Lezen uit de module Nederlands 3F. Om je een nog vollediger beeld te geven van de MBO-module Nederlands 3F, krijg je hieronder een voorproefje van het onderdeel Schrijven. Veel leesplezier!

11 Teksten schrijven

Inleiding

Welkom bij het eerste hoofdstuk van het onderdeel Schrijven. In dit hoofdstuk leer je hoe de structuur van een tekst in elkaar zit en hoe je zo’n structuur zelf maakt. Verder gaan we aan de slag met het schrijven van alinea’s en leer je hoe je een tekst afstemt op je publiek. Je leest ook welke toon je in een tekst gebruikt, welk doel je met je tekst voor ogen hebt en welke genres daarbij horen.

Een tekst schrijven lijkt op het eerste gezicht makkelijk. Gewoon een flinke hoeveelheid woorden op papier krijgen en klaar is je tekst. Toch is het zo makkelijk niet. Veel mensen vinden het lastig om een tekst te schrijven. Ze weten niet hoe ze moeten beginnen en hoe ze de dingen in hun hoofd zo op papier krijgen dat de lezer hen goed begrijpt.

Nederlands 3F lerenTeksten schrijven is een vaardigheid die je moet oefenen. Door veel te schrijven leer je steeds beter schrijven. In dit hoofdstuk leer je alles over de structuur van een tekst. Als een vakman een huis gaat bouwen, begint hij niet zomaar muren te metselen en kozijnen te plaatsen. Nee, hij heeft van tevoren een plan hoe het huis eruit moet gaan zien en welke afmetingen de muren moeten hebben. Heeft hij dat niet, dan gaat er gegarandeerd iets mis met de bouw van het huis. Met een tekst werkt het net zo. Als schrijver moet je eerst bepalen wat je waar in je tekst wilt beschrijven. Pas daarna ga je aan de slag.

11.1 De structuur van een tekst

Een schrijver bedenkt altijd vooraf welke structuur zijn tekst gaat krijgen. Door dit plan vooraf te bedenken, kan hij alle ‘onderdelen’ van het plan invullen en makkelijker een goedlopende tekst schrijven.

Zoals je bij het onderdeel Lezen al hebt geleerd, bestaat een tekst altijd uit een inleiding, een middenstuk en een slot. Afhankelijk van wat je met je tekst wilt bereiken, kun je deze indeling verder invullen. Als je bijvoorbeeld een betoog gaat schrijven, dan geef je je mening of standpunt in de inleiding. Bij dit standpunt heb je natuurlijk argumenten om de lezer over te halen. Per alinea behandel je dan een argument. Bij het uitwerken van het betoog weet je precies welk argument waar komt te staan.

Voor elke tekstsoort maak je weer een andere structuur. Een betoog krijgt een andere structuur dan een beschouwing en in een brief houd je weer een andere indeling aan dan in een verslag. Meer hierover leer je in de volgende hoofdstukken.

11.2 Alinea’s, witregels en kopjes

Een tekst gaat ergens over, dat is het onderwerp van de tekst. Bijvoorbeeld afvalscheiding. Een tekst is onderverdeeld in alinea’s. Een alinea is een stukje van de tekst dat een onderdeel van het onderwerp behandelt. Zo’n onderdeel noemen we een deelonderwerp.

Stel, de tekst gaat over afvalscheiding. In de tekst worden verschillende deelonderwerpen van afvalscheiding behandeld. Zo is er een alinea die behandelt op welke manier je afval kunt scheiden, er is een alinea die behandelt waarom afvalscheiding handig is en er is een alinea die de nadelen van afvalscheiding behandelt. Elke alinea behandelt dus een deelonderwerp van het hoofdonderwerp van de tekst.

Een alinea bevat vaak een kernzin met een toelichting bij die kernzin. In het onderdeel Lezen heb je hier meer over geleerd. De kernzin is de belangrijkste zin van de alinea en geeft weer waar de rest van de alinea over zal gaan. Soms heeft een alinea twee kernzinnen. De kernzinnen hebben een voorkeursplaats; ze staan vaak aan het begin of aan het einde van de alinea.

Binnen een alinea staan de zinnen achter elkaar. Wanneer je een nieuwe alinea begint, dan begin je ook weer op een nieuwe regel. Een schrijver kan ervoor kiezen om ook andere uiterlijke kenmerken aan een tekst mee te geven om te laten zien waar een nieuwe alinea begint. Zo kun je ervoor kiezen om tussen elke alinea een witregel te plaatsen.

Zoals je in het onderdeel Lezen hebt geleerd, heeft een tekst altijd een titel. Een schrijver kan ervoor kiezen om ook alinea’s van een tekst te voorzien van kopjes. Omdat die kopjes tussen de tekst staan, noemen we ze tussenkopjes. Deze tussenkopjes geven de lezer al aanwijzingen waar de tekst over zal gaan.

11.3 De lay-out

Alinea’s, witregels en tussenkopjes zorgen ervoor dat de lezer zicht heeft op hoe een tekst is ingedeeld en welke informatie er gaat komen. Op deze manier kun jij als schrijver structuur geven aan je tekst en is deze tekst voor de lezer prettiger om te lezen.

Behalve de indeling in alinea’s, tussenkopjes en witregels kun je een tekst nog meer uiterlijke kenmerken meegeven. Dit uiterlijk van een tekst noem je de lay-out. In kranten en tijdschriften wordt altijd veel aandacht besteed aan de lay-out van een tekst. Behalve titels en tussenkopjes kan er bij een tekst een afbeelding worden geplaatst of kan er met verschillende kleuren worden gewerkt.

11.4 Afstemming op publiek: toon, taal, doel en genre

Nederlands verbeteren
Je stemt je schrijfstijl af op je publiek.

Voordat we inhoudelijk aan de slag gaan met het schrijven van teksten behandelen we nog een laatste onderwerp dat van belang is bij het schrijven van een tekst. Als je besloten hebt hoe de structuur van jouw tekst eruit moet gaan zien, denk je ook na over het publiek waarvoor je schrijft. Je stemt je schrijfstijl af op je publiek. We onderscheiden daarbij vier aspecten:

  • toon;
  • taal;
  • doel;
  • genre.

Voor wie je een tekst schrijft, bepaalt ook meteen de toon die je gebruikt in een tekst. Een tekst voor jongeren over het uitgaansleven in de grote stad krijgt een andere toon dan een artikel voor gepensioneerden over kamperen in Frankrijk. De toon in de eerste tekst zal vlot en populair zijn, terwijl de toon in de tweede tekst zakelijker en gemoedelijker zal zijn.

Ook bepaalt je publiek je taalgebruik in een tekst. Om bij bovenstaand voorbeeld aan te sluiten: in het eerste artikel gebruik je meer populaire uitdrukkingen dan in het artikel voor gepensioneerden. Daar zal je taalgebruik algemener zijn. Misschien gebruik je formelere woorden dan in het eerste artikel.

Wat wil je bereiken met een tekst, wat is je doel? Als je graag mensen wilt overhalen om iets te doen of te kopen, dan zal je manier van schrijven dwingender zijn dan wanneer je alleen informatie geeft. Ook denk je van tevoren na over de argumenten die je wilt aandragen.

Een e-mail schrijf je op een andere manier dan een artikel. Het genre bepaalt ook je schrijfstijl. Het genre is de soort tekst die je schrijft..

Samenvatting

Een schrijver bedenkt altijd vooraf welke structuur zijn tekst gaat krijgen. Door dit plan vooraf te bedenken, is het makkelijker om alle ‘onderdelen’ van het plan in te vullen en een goedlopende tekst te schrijven.
Een tekst gaat altijd ergens over, dat is het onderwerp van de tekst. Een tekst is onderverdeeld in alinea’s. Een alinea is een stukje van de tekst dat een onderdeel van het onderwerp behandelt. Zo’n onderdeel noemen we een deelonderwerp.
Een schrijver kan ervoor kiezen om ook alinea’s van een tekst te voorzien van kopjes: tussenkopjes. Deze tussenkopjes geven de lezer al aanwijzingen waar de tekst over zal gaan. Het uiterlijk van een tekst noem je de lay-out.
Als je besloten hebt hoe de structuur van jouw tekst eruit moet gaan zien, denk je ook na over het publiek waarvoor je schrijft. Je stemt je schrijfstijl af op je publiek. Daarbij onderscheiden we vier aspecten: toon, taal, doel en genre.

samenvatting


Hoe vond je de proefles van de MBO-module Nederlands 3F?

De proefles MBO-module Nederlands 3F zit er al weer op. Heb je zin om verder te gaan met de stof? Schrijf je dan gelijk in: je kunt elke dag starten met de MBO-module Nederlands 3F!

8 redenen om bij NTI te studeren

  1. NTI biedt erkende en gewaardeerde opleidingen
  2. Je krijgt deskundige begeleiding door ervaren docenten
  3. Je studeert voor een voordelige prijs
  4. Je studeert flexibel: waar en wanneer je wilt
  5. Je studeert met veel persoonlijk contact
  6. Je studeert modern via onze digitale leeromgeving
  7. Je krijgt studiebegeleiding van een mentor
  8. Je kunt studeren op kosten van de werkgever en/of de fiscus

Neem gerust contact met ons op, als je nog vragen hebt. Succes met het kiezen van je opleiding!

1 / 1