Proefles: Moderne bedrijfsadministratie

Leer nu het antwoord op de vraag ‘Hoe staan we er financieel voor?’

Met deze proefles krijg je een indruk van de beroepsopleiding Moderne bedrijfsadministratie(MBA) van het NTI. Je krijgt inzicht in de lesstof. Je kan ook alvast vragen maken en deze zelf controleren. Mocht je vragen hebben, neem dan gerust contact met ons op. Heel veel succes en plezier met de proefles.

1 Kernbegrippen I

De eerste hoofdstukken van dit studieboek dienen als introductie in de bedrijfseconomie en introduceren een aantal kaderbegrippen die noodzakelijk zijn voor het begrijpen van de verder te bestuderen stof. In dit hoofdstuk maakt u kennis met de nodige basisterminologie die betrekking heeft op de waardecreatie in de bedrijfseconomie. Hiermee bedoelen we de hele reeks van bedrijfseconomische handelingen om van een (oer)grondstof te komen tot een consumentwaardig product.

1.1 Economische onderverdeling

In Nederland wordt de economie als een sociale wetenschap beschouwd. Zoals uit de definitie van het begrip 'welvaart' blijkt is de kerntaak van economie het onderzoeken, sturen en ontwikkelen van processen die zich bezighouden met het voortbrengen en verdelen van nuttige en schaarse goederen en diensten. We leggen de begrippen 'nuttig' en 'schaarste' verder uit. Een goed of dienst is nuttig als het een menselijke behoefte kan bevredigen (aan diens welvaart kan bijdragen). Een goed of dienst is schaars als er sprake is van het opofferen van andere zaken om het goed of de dienst te verkrijgen. De lunchmaaltijd die u op uw werk in de kantine koopt is nuttig en schaars. Nuttig omdat het uw behoefte aan eten bevredigt, schaars omdat u er iets voor moet opofferen, namelijk geld. Goederen die nuttig en schaars zijn, worden aangeduid als economische goederen.

De economische wetenschap bestudeert veel deelvormen van economie. Zo kennen we de nationale economie, ook wel staatshuishoudkunde genoemd.

Algemene economie heeft betrekking op de samenhang tussen producenten en consumenten en tussen consumenten onderling. De algemene economie kan weer onderverdeeld worden in:

  • de micro-economie;
  • de macro-economie;
  • de meso-economie.

Deze begrippen worden hieronder in het kort uitgelegd.

Macro-economie heeft betrekking op de economische verschijnselen die binnen de gehele samenleving optreden. Denk hierbij aan zaken als de nationale rekeningen (de boekhouding van de overheid), de totale consumptie in Nederland en de conjuncturele ontwikkelingen.

Micro-economie is dat deel van de economische wetenschap dat de keuzehandelingen van afzonderlijke gezinnen en bedrijven bestudeert.

Meso-economie gaat over bedrijfstakken en economische sectoren. 

Bedrijven nemen in het geheel van de economische activiteiten zo’n belangrijke plaats in dat daarvoor een afzonderlijke economietak is ontstaan: de bedrijfseconomie

Bedrijfseconomie heeft betrekking op de verschijnselen die optreden binnen productieorganisaties, de bedrijven die de economische goederen voortbrengen. Een productieorganisatie is een samensmelting van een inkoop- en een verkoopmarkt. De productiemiddelen (grondstoffen, kapitaal, arbeid, grond, interest, pacht enzovoort) worden door de organisatie aan de ene kant verzameld. Door bewerking binnen de organisatie ontstaat er een voor de mens (consument) een bruikbaar product of een bruikbare dienst, die via een verkoopmarkt wordt aangeboden.

1.2 Geld- en goederenstroom

Wanneer u de omschrijving van de bedrijfseconomie uit de vorige paragraaf nog eens goed bekijkt zult u zien dat de consumenten (de gezinshuishoudingen) ook de mensen zijn die de arbeid, de natuur (grond) en het kapitaal aan de organisaties (productiehuishoudingen) ter beschikking stellen. In ruil daarvoor ontvangen de gezinshuishoudingen geld (voor de arbeid krijgen zij immers een salaris). Hiermee worden de gezinshuishoudingen weer consument, want met dat geld kunnen zij goederen kopen van de productiehuishoudingen. Dit continu voortgaande proces wordt een economische kringloop genoemd.

De economische kringloop bestaat dus uit een tegengestelde bewegende geld- en goederenstromen. De geldstroom die van productiehuishoudingen (organisaties) naar gezinshuishoudingen (consumenten) loopt, noemen we het verdiende inkomen. De andere geldstroom, van gezinshuishoudingen naar productiehuishoudingen, noemen we het bestede inkomen.

Daarmee zijn de begrippen ‘producent’ en ‘consument’ ook te definiëren. De producent is diegene die met behulp van een organisatie (productiehuishouding, ondernemerschap) op de meest doelmatige wijze, dat wil zeggen met de minste kosten, alle mogelijke productiefactoren combineert om goederen of diensten te maken. De consument (gezinshuishouding) stelt de productiefactoren aan de producent ter beschikking (voornamelijk de productiefactor arbeid) en krijgt daarvoor een vergoeding die we inkomen noemen. Dit inkomen zal de consument gebruiken om goederen of diensten te kopen, kortom: de consument consumeert.

1.3 Bedrijfseconomie

De bedrijfseconomie kent een diversiteit aan vraagstukken en raakvlakken.

We weten inmiddels dat de bedrijfseconomie de verschijnselen binnen de organisaties (productiehuishoudens) bestudeert, maar dat klinkt eenvoudiger dan het is. Allereerst is er het raakvlak tussen economie en bedrijfskunde. Onder bedrijfskunde verstaan wij de wetenschap die er haar werk van maakt de markten en de totale organisatie van bedrijven te bestuderen. Bedrijfseconomie heeft betrekking op de economische kant van de bedrijfskunde, waarbij de bedrijfskunde het totale beeld van de organisatie behandelt. Bedrijfseconomie kent daardoor een veelvoud aan kenmerken die allemaal in onderlinge samenhang met elkaar staan en die we als volgt kunnen onderverdelen:

  • organisatorische aspecten (organisatiekunde):
  • – corporate governance (de ethiek van de onderneming);
    – logistieke processen;
    – organisatie-indeling en -verdeling, managementstructuren;
    – kwaliteitsvraagstukken.

  • financieringsbehoefte:
  • – corporate finance (benodigde middelen om de productieprocessen te financieren);
    – het beheren van alle geldstromen in het bedrijf (cashmanagement);
    – totale investeringsbeleid met de communicatiestromen tussen organisatie en geldverschaffers, zoals banken en aandeelhouders.

     

  • interne bedrijfshuishouding:
  • –  administratieve processen;
    –  managementrapportages;
    –  controlerende activiteiten.

  • interne bedrijfshuishouding:
  • –   marketingactiviteiten;
    –   public relations.

    Het is de bedoeling dat de organisatie met al haar (bedrijfseconomische) processen winst maakt. Het bedrijf heeft daarom een hogere inkomende geldstroom nodig in vergelijking met de uitgaande geldstroom. Dat maakt de organisatie economisch zelfstandig. Dat de organisatie winst moet maken is duidelijk: een organisatie die dat niet doet heft haar eigen bestaansrecht op. Een bedrijfseconomi- sche organisatie is dan ook een profitorganisatie. Een onderneming is een profitorganisatie, die als doel winst behalen heeft. Non-profitorganisaties hebben niet als primaire doelstelling het maken van winst, maar het zonder winstoogmerk bevredigen van behoeften van de mens of bereiken van een bepaald doel. Voorbeelden van non-profitorganisaties zijn de overheid en sportinstellingen. Een stichting die met de ontvangen giften onderzoek doet naar een bepaalde ziekte is ook een voorbeeld van een non-profitorganisatie. Een organisatie is dan ook een groep mensen die samenkomt om een bepaald doel te bereiken. We kunnen stellen dat alle ondernemingen organisaties zijn, maar niet alle organisaties zijn ondernemingen.

    Het zal u duidelijk zijn dat binnen de bedrijfseconomische processen en de financiële processen van verschillende soorten organisaties de transformatie van een grondstof of basisproduct tot een consumentrijpe zaak heel verschillend kan zijn. Elke ondernemingsactiviteit kent zijn specifieke bedrijfseconomische problemen. Een industriële organisatie heeft veel meer duurzame productiemiddelen (machines en dergelijke) nodig dan een dienstverlenende organisatie. Bij een dienstverlenende orga- nisatie echter zullen de personeelskosten veel zwaarder wegen dan binnen andere sectoren. Daarnaast heeft een handelsonderneming weer veel meer voorraadkosten dan een dienstverlenende organisatie.

    1.4 Ondernemingsdoelstellingen

    Uit de voorgaande paragraaf volgt een aantal algemene ondernemingsdoelstellingen die we op profitorganisaties van toepassing kunnen verklaren. We noemen een aantal algemeen binnen de bedrijfseconomie voorkomende doelstellingen. De doelstellingen die we behandelen zijn: een zo hoog mogelijke marktwaarde hebben, omzetgroei hebben en winstgroei hebben. Marktwaarde is de waarde die de organisatie vertegenwoordigt naar haar buitenwereld. Veel organisaties geven aandelen uit en hebben daardoor een notering op de aandelenbeurs. Door het economisch handelen van de organisatie vertegenwoordigen deze aandelen een bepaalde waarde. Deze waarde kan fluctueren onder invloed van uiteenlopende zaken. Voorbeelden hiervan zijn de economi- sche (wereld)situatie en het eigen handelen van de organisatie. De marktwaarde van een organisatie wordt in economische zin bepaald door te kijken naar haar beurskoers per aandeel, vermenigvuldigd met het aantal uitstaande aandelen. Hieronder treft u een gedeelte aan van een artikel over de fusie tussen de uitzendorganisaties Randstad en Vedior in 2007. Het begrip 'marktwaarde' wordt daarin duidelijk gemaakt.

    Ook het begrip ‘marktaandeel’ komt goed naar voren in het voorgaande artikel over de fusie tussen (het samengaan van) beide uitzendorganisaties. Organisaties zullen over het algemeen proberen een zo groot mogelijk deel van de afzetmarkt te bemachtigen. 

    Hoe meer producten en/of diensten de organisatie kan afzetten, hoe groter de waarborg is dat zij aan haar continuïteitseis (voortbestaanseis) kan voldoen. Een groot marktaandeel betekent veel omzet, over het algemeen een grote winstgevend- heid en een goede mogelijkheid om grip op de concurrentie van andere ondernemingen te houden. De begrippen 'marktaandeel', 'winstgroei' en 'omzetgroei' hangen nauw met elkaar samen. Uiteraard zal een organisatie ernaar streven om haar winst zo hoog mogelijk te laten zijn.

    Winst is het verschil tussen opbrengsten en kosten, eventueel gecorrigeerd met belastingafdrachten. Winstgroei betekent een toename van de winst. Het is een bedrijfseconomisch streven dat er omzetgroei (toename van de opbrengsten) plaatsvindt, om de positie van de organisatie op de markt te verstevigen en de winstgroei zo veel mogelijk zeker te stellen. Onderstaand vindt u een krantenartikel uit maart 2013 over de Deutsche Post, dat nog eens duidelijk maakt dat een principieel bedrijfseconomisch uitgangspunt het streven naar vergroting van marktaandeel, winstgroei en omzetgroei is, waardoor automatisch een grotere marktpositie met een hogere totale marktwaarde voor de organisatie wordt bereikt.

    Hoe meer producten en/of diensten de organisatie kan afzetten, hoe groter de waarborg is dat zij aan haar continuïteitseis (voortbestaanseis) kan voldoen. Een groot marktaandeel betekent veel omzet, over het algemeen een grote winstgevendheid en een goede mogelijkheid om grip op de concurrentie van andere ondernemingen te houden. De begrippen 'marktaandeel', 'winstgroei' en 'omzetgroei' hangen nauw met elkaar samen. Uiteraard zal een organisatie ernaar streven om haar winst zo hoog mogelijk te laten zijn.

    Winst is het verschil tussen opbrengsten en kosten, eventueel gecorrigeerd met belastingafdrachten. Winstgroei betekent een toename van de winst. Het is een bedrijfseconomisch streven dat er omzetgroei (toename van de opbrengsten) plaatsvindt, om de positie van de organisatie op de markt te verstevigen en de winstgroei zo veel mogelijk zeker te stellen.

    Onderstaand vindt u een krantenartikel uit maart 2013 over de Deutsche Post, dat nog eens duidelijk maakt dat een principieel bedrijfseconomisch uitgangspunt het streven naar vergroting van marktaandeel, winstgroei en omzetgroei is, waardoor automatisch een grotere marktpositie met een hogere totale marktwaarde voor de organisatie wordt bereikt.

    1.5 De bedrijfs- of productkolom

    Een bedrijfskolom (productkolom) bestaat uit een keten van ondernemingen die er samen voor zorgen dat een (oer)grondstof een consumentwaardig product wordt. Een eenvoudige bedrijfskolom kan er als volgt uitzien:

    De laatste schakel in de keten is de consument. De consument staat er apart onder en niet als deel van de bedrijfskolom, omdat de consument eigenlijk niet in deze keten thuishoort. De consument voegt namelijk geen waarde toe aan het product. De consument is niet productief maar uitsluitend een ge(ver)bruiker. Voor alle duidelijkheid laten we de consument in bovenstaande afbeelding echter wel zien. In elke bedrijfskolom is sprake van een goederenen een geldstroom. De goederenstroom loopt van boven naar beneden door de bedrijfskolom, de geldstroom loopt van beneden naar boven.

    1.6 Bedrijfstak

    In de bedrijfskolom is het begrip 'markt' meerdere malen genoemd. Alle organisaties die in een bepaald productie- of dienstverleningsproces dezelfde werkzaamheden verrichten, oftewel een groep organisa- ties/bedrijven binnen één bepaalde branche, vormen samen de bedrijfstak. De term 'bedrijfstak' wordt weleens verward met de term 'bedrijfskolom'. Een bedrijfstak is echter onderdeel van de bedrijfskolom.

    Een bedrijfskolom is verticaal georganiseerd, en een bedrijfstak kent een horizontale organisatie.

    Markt laat zich definiëren als de confrontatie (het samenkomen) van vraag en aanbod, waarbij het prijsmechanisme informatie zichtbaar maakt over de kosten van een product of dienst aan de aanbodzijde en de behoefte naar dat product of dienst aan de vraagzijde. Met het prijs- of marktmechanisme bedoelen we het spel van vraag en aanbod dat de aanbodprijs van de voorgaande kolom, en de vraagprijs van de volgende kolom in de bedrijfskolom bepaalt.

    1.7 Verandering in de bedrijfskolom

    Een bedrijfskolom is geen starre eenheid van elkaar opvolgende ketens, maar kent een dynamiek die voortdurende voor veranderingen zorgt. Organisaties nemen taken van andere organisaties over, of organisaties stoten bepaalde taken weer af aan andere ondernemingen enzovoort. Er kunnen zich daardoor een viertal situaties in een bedrijfskolom of bedrijfstak voordoen:

    • differentiatie
    • integratie
    • specialisatie
    • parallellisatie

    Als er differentiatie in de bedrijfskolom plaatsvindt worden fasen in hetzelfde productieproces afgestoten naar andere ondernemingen. In het voorbeeld hieronder geeft de linkertabel de oorspronkelijke bedrijfskolom weer, de rechtertabel toont de differentiatiestap. Er wordt dan een schakel in de bedrijfskolom toegevoegd.

    MBA voorbeeld 3MBA voorbeeld 4

    De fietsfabrikant maakt nu geen volledige fietsen meer maar slechts de frames van de fietsen, die in andere fabrieken tot een totale fiets worden geassembleerd. Differentiatie wordt ook wel aangeduid als verticale verbijzondering in de bedrijfskolom, omdat er in verticale richting een nieuwe schakel bij komt.

    Integratie maakt de bedrijfskolom korter, omdat een schakel in de keten een activiteit voor zijn eigen rekening gaat nemen die voorheen was uitbesteed. In het voorbeeld hieronder vindt u links de oorspronkelijke bedrijfskolom en rechts laat de integratie zien waarbij een metaalbedrijf de exportorganisatie uitschakelt en rechtstreeks bij de aluminiumproducent importeert.

    MBA voorbeeld 5MBA voorbeeld 6

    De integratie wordt ook wel de uitschakelingstendens in de bedrijfskolom genoemd. Deze tendens treedt op als er kostenvoordelen voor de schakel in de keten te behalen zijn. De exporteur zal uitgeschakeld worden als de kosten van het metaalbewerkingsbedrijf voor eigen importactiviteiten lager uitvallen dan de kosten die normaliter aan de exportorganisatie betaald moeten worden om de goederen van de aluminiumproducent te verkrijgen.

    Beide maken een verticale beweging. Bij differentiatie is er sprake van het toevoegen van een schakel, bij integratie is er sprake van het samenvoegen van twee schakels.

    Differentiatie en integratie spelen zich af in de bedrijfskolom. Beide maken een verticale beweging. Bij differentiatie is er sprake van het toevoegen van een schakel, bij integratie het samenvoegen van twee schakels. Specialisatie en parallellisatie spelen zich echter af in de bedrijfstak en maken een horizontale beweging. We laten dat weer aan de hand van een tweetal voorbeelden zien.

    MBA voorbeeld 7MBA voorbeeld 8

    Bij specialisatie zal een onderneming haar assortiment inkrimpen en gaat zij zich geheel richten op waar zij goed in is. Vaak gebeurt dit als een organisatie zich wil specialiseren op een kleinere groep afnemers, omdat dit de aandacht voor die afnemers en de geleverde kwaliteit van producten of diensten ten goede komt. De speciaalzaak gaat dan de concurrentie aan met de niet-gespecialiseerde organisaties, die niet de deskundigheid en ruimere sortering van de specialist hebben. De deskundigheid is het uiteindelijke concurrentievoordeel voor de speciaalzaak.

    Specialisatie leidt feitelijk tot een versmalling van de bedrijfskolom.

    Bij parallellisatie speelt zich het omgekeerde af van specialisatie. Het verschijnsel van parallellisatie in een bedrijfstak ontstaat wanneer één onderneming haar assortiment uitbreidt door het samengaan met andere ondernemingen in dezelfde fasen, doch in verschillende bedrijfskolommen. Dit verschijnsel wordt ook wel branchevervaging genoemd. Links ziet u weer de oorspronkelijke bedrijfskolom, en rechts laat zien wat er gebeurt als de fietsfabrikant ook sportschoenen gaat produceren en aan de groothandel gaat leveren, oftewel zijn aanbod verbreedt.

    In veel bedrijfstakken vinden tendensen gelijktijdig plaats. In bijvoorbeeld de levensmiddelenbranche ziet men dat fabrikanten eigen winkels oprichten (integreren), of zich juist specialiseren. Of, dat winkels hun assortiment uitbreiden met branchevreemde zaken, zoals een supermarkt die ook computers verkoopt.

    1 Kernbegrippen I

    1-1

    a. Wanneer je, om het te verkrijgen, iets anders moet opofferen.

    b. Absoluut: werkelijke tekort.

    Relatief: opofferen.

    1-2

    arbeid → loon

    natuur → pacht

    kapitaal → interest

    1-3

    a. De consumenten (de gezinshuishoudingen) zijn degenen die aan de organisaties (productiehuishoudingen) de arbeid, de natuur (grond) en het kapitaal ter beschikking stellen. In ruil daarvoor ontvangen de gezinshuishoudingen geld (voor de arbeid krijgen zij immers een salaris). 

    Daarmee worden de gezinshuishoudingen weer consument, want met dat geld kunnen zij goederen kopen van de productiehuishoudingen. Dit hele, continu voortgaande proces wordt een economische kringloop genoemd.
    b. De economische kringloop bestaat dus uit tegengesteld bewegende geld- en goederenstromen. De geldstroom die van productiehuishoudingen (organisaties) naar gezinshuishoudingen (consumenten) loopt, noemen we het verdiende inkomen. De andere geldstroom,van gezinshuishoudingen naar productiehuishoudingen, noemen we het bestede inkomen.

    1-4 De producent is degene die met behulp van een organisatie (productiehuishouding, ondernemerschap) op de meest doelmatige, dat wil zeggen met de minste kosten, alle mogelijke productiefactoren combineert om goederen of diensten te maken. De consument (gezinshuishouding) stelt de productiefactoren aan de producent ter beschikking (voornamelijk de productiefactor arbeid) en krijgt daarvoor een vergoeding dat we zijn inkomen noemen. Dit inkomen gebruikt hij om goederen of diensten te kopen. Kortom: hij consumeert.

    1-5

    • marktwaarde. De marktwaarde is de waarde die de organisatie vertegenwoordigt naar haar buitenwereld toe. Veel organisaties geven aandelen uit en hebben daardoor een notering op de aandelenbeurs. Door het economisch handelen van de organisatie vertegenwoordigen deze aandelen een bepaalde waarde. Deze kan fluctueren door allerlei invloeden zoals de economische (wereld)situatie en ook het eigen handelen van de organisatie. De marktwaarde van een organisatie wordt in economische zin bepaald door te kijken naar haar beurskoers per aandeel, vermenigvuldigd met het aantal uitstaande aandelen.
    • marktaandeel. Organisaties zullen over het algemeen trachten om een zo groot mogelijk deel van de afzetmarkt te bemachtigen. Hoe meer producten en/of diensten zij kan afzetten, hoe groter de waarborg is dat de organisatie aan haar continu.teitseis (voortbestaanseis) kan voldoen. 
    • Een groot marktaandeel betekent veel omzet, over het algemeen een grote winstgevendheid en een goede mogelijkheid om grip op de concurrentie van andere ondernemingen te houden.
    • winst- en omzetgroei. Het begrip ‘marktaandeel’ hangt nauw samen met de begrippen ‘winstgroei’ en ‘omzetgroei’. Alle drie zijn nauw met elkaar verbonden. Uiteraard zal een organisatie ernaar streven om haar winst (het verschil tussen opbrengsten en kosten, eventueel gecorrigeerd met belastingafdrachten) zo hoog mogelijk te laten zijn. Een absoluut bedrijfseconomie streven is dat er omzetgroei zal moeten plaatsvinden, om de positie van de organisatie op de markt te verstevigen en de winstgroei zo veel mogelijk zeker te stellen.

    1-6

    a. De laatste schakel in de keten (de bedrijfskolom) is de consument. Deze hoort eigenlijk niet thuis in de bedrijfskolom, omdat hij niet productief is, maar uitsluitend een ge(ver)bruiker. Voor alle duidelijkheid wordt het begrip ‘consument’ over het algemeen wel in de bedrijfskolom getoond.

    b. Een bedrijfstak is een schakel in de bedrijfskolom.

    1-7

    a. Het begrip ‘markt’ laat zich als volgt defini.ren: de confrontatie (het samenkomen) van vraag en aanbod, waarbij het prijsmechanisme informatie zichtbaar maakt over de kosten van een product of dienst aan de aanbodzijde en de behoefte aan dat product of dienst aan de vraagzijde. Met het prijs- of marktmechanisme bedoelen we het spel van vraag en aanbod dat de aanbodprijs van de voorgaande, en de vraagprijs van de volgende schakel in de bedrijfskolom bepaalt.

    b. We onderscheiden twee soorten markten:

     

    ‒  concrete markt. De concrete markt is een geografisch bepaalde plaats waar vraag en aanbod elkaar treffen om op vooraf vastgestelde tijdstippen, handel met elkaar te drijven of marktoriëntatie uit te voeren. Voorbeelden hiervan zijn veemarkten, bloemenveilingen en computerbeurzen.

    ‒  abstracte markt. Een abstracte markt is het geheel van vraag en aanbod naar een product of dienst waarbij u kunt denken aan zaken als de financieringsmarkt, de vermogensmarkt of de arbeidsmarkt. Leest u bijvoorbeeld in de krant dat er een krapte op de arbeidsmarkt heerst, dan moet u niet aan een bepaalde locatie of plaats denken, maar betreft dit het totaal van het vraag- en aanbodspel van werkgevers en werknemers.

    1-8 De in deze vraag bedoelde vier verschijnselen zijn:

    • differentiatie. Als er differentiatie in de bedrijfskolom plaatsvindt dan worden fasen in hetzelfde productieproces afgestoten naar andere ondernemingen.

    • integratie. Integratie maakt de bedrijfskolom korter omdat een schakel in de keten een activiteit voor zijn eigen rekening gaat nemen, die voorheen was uitbesteed.

    • specialisatie. Bij specialisatie zal een onderneming haar assortiment inkrimpen. Vaak gebeurt dit als een organisatie zich wil specialiseren in een kleinere groep afnemers, omdat dit de aandacht voor die afnemers en de geleverde kwaliteit van producenten of diensten ten goede komt. De speciaalzaak gaat dan de concurrentie aan met de niet-gespecialiseerde organisaties, die echter niet de deskundigheid en ruimere sortering van de specialist hebben. Dit is het uiteindelijke concurrentievoordeel voor de speciaalzaak.

    • parallellisatie. Bij parallellisatie speelt zich het omgekeerde af van specialisatie. Het verschijnsel van parallellisatie in een bedrijfstak ontstaat als een onderneming haar assortiment uitbreidt door het samengaan met andere ondernemingen in dezelfde fasen, doch in verschillende bedrijfskolommen. Dit verschijnsel wordt ook wel branchevervaging genoemd.

    Ben je na het volgen van de proefles enthousiast geworden?

    Je kunt elke dag starten met de beroepsopleiding Moderne Beroepsadministratie dus zet vandaag nog de eerste stap!

    8 redenen om bij het NTI te studeren

    1. Erkende opleidingen, gewaardeerd in het bedrijfsleven
    2. Prettige en deskundige begeleiding door ervaren docenten
    3. Voordelig lesgeld
    4. Flexibel studeren
    5. Studeren met veel persoonlijk contact
    6. Modern studeren via onze online leeromgeving
    7. Persoonlijke studiebegeleiding van een mentor
    8. Studeren op kosten van de werkgever en/of de fiscus
    1 / 24